Caroline Lamarche, ‘Eén werk, één enkel werk’

Eén werk, één enkel werk, speelt me door het hoofd of liever door het hart wanneer ik mezelf moed wil inblazen, of gewoon wanneer ik weer in harmonie met de wereld wil raken, wanneer ik er de hartslag van wil terugvinden voorbij alle ademnood, verwoesting en verlies.

Ruht Wohl, het slotkoor van de Johannes-Passion van Bach. Het enige muziekstuk dat ik uit mijn hoofd ken, melodie en tekst.

Ik heb vaak nagedacht over de Franse uitdrukking ‘par coeur’, waarvan ‘uit het hoofd’ de Nederlandse tegenhanger is. Voor zingen voldoet naar mijn idee alleen het hart, dat orgaan dat kan bonzen van hartstocht, dat kan gloeien, dat kan zwellen en als een met helium gevulde ballon opstijgen naar de lippen. Dan zingen we om tot uitdrukking te brengen wat er opwelt: opluchting, vrede, een schadeloosstelling voor de lange, barre weg die we moesten afleggen, met onze vingers vastgeklampt aan scherpe uitsteeksels, toen we ons aangezogen voelden door de afgrond.

In mijn studententijd zong ik in het universiteitskoor. Ik hield van die grote, staande familie, van onze gezamenlijke, meervoudige, strak op onze dirigent gerichte blik, van het gevoel dat we werden beschermd door de anderen.

Hoe kwam het dat ik op een dag door een van ons uit de groep werd afgezonderd om Ruht Wohl te zingen in een vocaal kwartet dat, zo leek het, in allerijl en zonder duidelijk doel was samengesteld? Ik herinner me dat we repeteerden in een zijkamertje, een lege loge, nee, nog kleiner: een bezemkast? Er was vast een draagbaar orgel of een fluit, kortom iets wat de eerste noot aangaf en en avant! Ik voelde me kwetsbaar, uitgekleed, mijn door de soprano aan mijn rechterkant afgebeulde altstem vermocht niet meer te versmelten met de rest van de groep.

Het initiatief was geen lang leven beschoren. Nooit hebben we het niveau bereikt waarop we Ruht Wohl ten gehore konden brengen voor een ook maar bescheiden publiek. Ik verdenk onze geïmproviseerde dirigent ervan dat hij op vier gedweeë rekruten zijn eigen capaciteiten van koorleider wilde uittesten. Ik zie nog zijn weidsegebaren voor me, ik voel nog hoe gegeneerd hij was tegenover mijn schrijnende gevoel uit de toon te vallen, de pure schoonheid te bederven. Na al die jaren blijft in mij de herinnering voortleven aan een immense verbazing. Waarom had hij mij gekozen?

Dat gevoel van tot de gelukkige uitverkorenen te behoren en monumentaal bedrog te plegen vergezelt mij ook nu. Mij wordt een programma van wonderbaarlijke concerten voorgelegd, met mythische vertolkers, en vervolgens in het oor gefluisterd: Schrijf! Steeds dat verlangen in een hol weg te kruipen, steeds dat bijbelse thema van de geroepene wiens eerste impuls is om te vluchten, nog liever door de woestijn te worden verslonden of door een walvis ingeslikt.

Dan blaas ik mezelf moed in door het meest troostrijke genie te kiezen, hij die uit pijn en beproeving een overvloedige, lichte vreugde heeft doen opwellen, een adem, een bovennatuurlijke en toch zo natuurlijke bezieling dat ik die spontaan overneem telkens als ik door het leven word opgejaagd.
Rust zacht, gij heilig gebeente
dat ik nu verder niet beween.
Rust zacht en breng ook mij tot rust!

  • Caroline Lamarche, ‘Une seule oeuvre’, vert. Rokus Hofstede, in: The Space between the Notes. Schrijvers over muziek / De la musique et des mots, Bozar 2014, samenstelling en inleiding Tom Van de Voorde, © Rokus Hofstede
  • Print Friendly, PDF & Email