Paul Veyne, ‘Palmyra. De onvervangbare schat’ (fragment)

De archeologische site van Palmyra, die dezer dagen aan terroristische barbarij ten prooi is gevallen, vormt misschien wel – naast Pompeï, bij Napels, en de geweldige ruïne van Efeze aan de Turkse westkust – de rijkste Grieks-Romeinse vindplaats die ooit door opgravers is ontsloten. In het jaar 200 van onze jaartelling behoorde de stad tot het grote Romeinse rijk, dat toen op het hoogtepunt van zijn macht was en zich uitstrekte van Andalusië tot de Eufraat en van Marokko tot Syrië. Wanneer deze handelsrepubliek werd bezocht door een vreemdeling op doorreis, een Griekse of Italiaanse koopman te paard, een Egyptenaar, een jood, een door Rome gezonden hoogwaardigheidsbekleder, een Romeins belastingpachter of soldaat, kortom door een burger of onderdaan van het rijk, dan zag de nieuwaangekomene al in één oogopslag dat hij in een andere wereld was beland.

> Lees verder