Pierre Bourdieu, ‘Literatuur en sociologie’

U ziet geen tegenstelling tussen literatuur en sociologie?

Er bestaat allicht een verschil, maar dat verschil moet niet worden opgeblazen tot zoiets als een onwrikbare tegenstelling. Het spreekt vanzelf dat sociologen niet met schrijvers mogen en kunnen wedijveren. Ze zouden het risico lopen ‘naïeve schrijvers’ te zijn, zoals je ook spreekt van ‘naïeve schilders’: schrijvers die onwetend zijn van de geaccumuleerde eisen en mogelijkheden die in de eigen logica van het literaire veld besloten liggen. Maar ze kunnen in literaire werken wel indicaties of oriëntaties voor onderzoek aantreffen die hun door de censuur van het wetenschappelijke veld worden ontzegd – vooral als ze onderworpen zijn gebleven aan de positivistische filosofie die vandaag de dag de sociale wetenschappen beheerst. En andersom kunnen hun beschrijvingen of analyses een discours in het leven roepen dat, zonder dat er een ‘literaire’ intentie aan ten grondslag ligt, literaire effecten teweeg kan brengen of vragen kan opwerpen waar schrijvers iets aan hebben, analoog aan de vragen die aan het eind van de negentiende eeuw door de fotografie aan schilders werden gesteld.

Nu we het er toch over hebben wil ik daaraan toevoegen dat schrijvers ons nog veel meer kunnen leren. Ikzelf heb mij van het werk van schrijvers bediend om los te komen van de censuur en de vooronderstellingen die aan de scientistische, positivistische voorstelling van wetenschappelijke arbeid eigen zijn. Een paar maanden geleden bijvoorbeeld kreeg ik bezoek van een jeugdvriend die me wilde spreken over persoonlijke problemen waar hij hevig mee worstelde en waar hij mijn mening over wilde weten. Het verhaal dat hij me vertelde zou je Faulkneriaans kunnen noemen. Ik begreep er in het begin helemaal niets van, terwijl ik toch van vrijwel alle essentiële informatie op de hoogte was. Na een paar uur begon ik het te begrijpen; hij vertelde, in één en dezelfde beweging, drie of vier homologe, in elkaar gevlochten verhalen – zijn eigen verhaal, dat van zijn verhouding met zijn een paar jaar eerder gestorven vrouw, die hij ervan verdacht hem te hebben bedrogen met zijn oudere broer, het verhaal van zijn zoon en van diens verhouding met zijn verloofde, die hij verweet dat ze niet ‘degelijk’ was, het verhaal van zijn moeder, de stille en mysterieuze getuige van deze twee verhalen, en nog een paar secundaire verhalen. Ik zou niet durven zeggen welke van de twee hoofdverhalen, dat van hemzelf of dat van zijn zoon (waarbij de verhouding tussen vader en zoon in het geding was, via de kwestie van de toekomst van de boerderij en het land), het pijnlijkst was; welk verhaal diende om het andere te verhullen, of het juist in verhulde vorm, bij de gratie van homologieën, te verwoorden. Zeker was dat de hele logica van wat hij vertelde berustte op de voortdurende ambiguïteit van anaforen (onder meer de ‘hij’ of ‘zij’, waarvan ik nooit wist of ze naar hemzelf of naar zijn zoon verwezen, naar zijn vrouw of naar de verloofde van zijn zoon, onderling verwisselbare subjecten waarvan de verwisselbaarheid de achtergrond vormde van het drama dat hij doormaakte). Toen zag ik heel duidelijk hoe kunstmatig de lineaire levensverhalen zijn waarmee antropologen en sociologen zich vaak tevredenstellen. Ik geloof nu dat de schijnbaar extreem formalistische experimenten van Virginia Woolf, Joyce of Claude Simon veel ‘realistischer’ zijn (als dat woord iets betekent), antropologisch waarachtiger, dichter bij de waarheid van de temporele ervaring, dan de lineaire vertellingen waaraan wij door de lectuur van traditionele romans gewend zijn geraakt. (Ik stel me hier uiteraard op het standpunt van een onderzoeker, van de wetenschap, en het spreekt vanzelf dat je van de literatuur méér mag verwachten – dat ik er meer van verwacht – dan onthulling van de ‘werkelijkheid’…). Zo kwam ik er gaandeweg toe een hele reeks min of meer verdrongen vragen op de voorgrond te plaatsen, over de biografie en meer in het algemeen over het proces van interviewen, over de temporele structuur van de geleefde ervaring, en een hele verzameling ‘ruw’ geheten materiaal te verheffen tot de status van legitiem wetenschappelijk discours, dat publicatie waardig was, materiaal dat ik voordien, eerder onbewust dan bewust, geneigd was uit te sluiten.

Op een soortgelijke manier vond ik in mijn werk over Flaubert een hele reeks problemen terug waarop hij lang voor mij was gestuit en waarvoor hij oplossingen had bedacht – zoals het gecombineerde gebruik van de directe, indirecte en vrije indirecte rede, een kwestie die tot de kern van de problemen van transcriptie en publicatie van interviews behoort. Ik denk kortom dat de literatuur, waartegen een groot aantal sociologen vanaf het eerste begin tot aan de dag van vandaag meende en nog steeds meent zich te moeten afzetten op grond van de wetenschappelijkheid van hun discipline, […], in meerdere opzichten een voorsprong op de sociale wetenschappen heeft en een hele schat aan wezenlijke problemen bevat – bijvoorbeeld wat betreft narratieve theorieën – die sociologen zich eigen zouden moeten maken en kritisch zouden moeten onderzoeken, in plaats van zich ostentatief te distantiëren van uitdrukkingsvormen en denkvormen die ze compromitterend achten.

[uit: Pierre Bourdieu, Argumenten. Voor een reflextieve maatschappijwetenschap (Fr.: Réponses: pour une anthropologie réflexive), vertaling Rokus Hofstede, SUA, 1992]

Print Friendly, PDF & Email