‘De roman vernieuwen, vernietigen met zijn eigen middelen’: Louis Aragon

Beau parleur

Le paysan de Paris documenteert de hoogtijdagen van het surrealisme, maar lijkt de eeuwige jeugd te hebben van degene die het op 26-jarige leeftijd schreef; het geldt als een klassieke tekst, maar loochent ook na meer dan zeventig jaar zijn experimentele karakter niet. De manier waarop Aragon het kosmopolitische moderne levensgevoel verkent, kondigt allerlei thema’s aan die door latere critici, filosofen en schrijvers zijn opgepakt.[1. Met als meest markante figuur Walter Benjamin, en dan vooral zijn Passagenwerk, waarop Le paysan de Paris van beslissende invloed is geweest.] Vooral de zinnelijke passages, waarin de stad in al zijn schemerachtige luister een projectiescherm wordt van de verlangens en begeerten van stedelingen, klinken uitgesproken hedendaags. Zij het dat in het hedendaagse klimaat van literaire restauratie, waarin naturalistische beschrijvingen en autobiografische bekentenissen de literaire produktie beheersen, Aragon eraan herinnert dat ook in dat genre een auteur nooit ontslagen is van de plicht tot inspiratie.

Vanuit filosofisch oogpunt lijkt Aragons program, zijn kritiek op het rationalisme en zijn zoektocht naar een ‘metafysica van het concrete’ waarin het begrip (la notion) en het beeld (l’image) zich met elkaar vervoegen, een hooguit historisch interessante voetnoot op te leveren. Ik betwijfel of Aragons poging om de ‘metafysica een stapje verder te brengen’ anno 1998 nog op veel bijval zal mogen rekenen. Op compositorisch en stilistisch niveau daarentegen brengt hij zijn program moeiteloos in de praktijk. In zijn proza worden begrip en beeld voortdurend vervoegd: reflectie en observatie, logos en mythe, de overwegende en de verhalende stijl vloeien onmerkbaar in elkaar over. Ook in die onnadrukkelijke maar doelbewuste vervlechting van filosofie en literatuur was Le Paysan de Paris zijn tijd ver vooruit.

Le paysan de Paris is een retorische tour de force – en dreigt zich daarmee, zoals elke vorm van retoriek, tegen zichzelf te keren, te ontaarden in een louter in het luchtledige beoefend procédé. Soms lijkt het beeldmiddel de auteur toch enigszins naar het hoofd te stijgen, wanneer de beelden geen ander voorwendsel meer hebben dan zichzelf en alleen nog neerkomen op een demonstratie van virtuositeit. Aragons proza is bepaald niet van preciositeit en effectbejag gespeend: Aragon is een beau parleur, wiens werkelijke motieven schuilgaan achter zijn literaire duivelskunsten. Als een superieure, voor geen gat te vangen improvisator, gunt hij zijn toehoorders geen moment de tijd zijn monoloog te onderbreken. Bijvoorbeeld om hem te vragen waar hij eigenlijk heen wil. Of hoe hij zijn literaire activiteit met zijn revolutionaire activiteit denkt te laten samengaan…

Dat neemt niet weg dat Le paysan de Paris tot die zeldzame boeken behoort die aan de vormvernieuwing die erin tot stand wordt gebracht een soort onbeperkte houdbaarheid ontlenen. Le paysan de Paris is niet de toepassing van een formule maar het ontwerp van een formule; het is geen gaaf weefsel waarin alle draadjes op kundige wijze bij elkaar worden gehouden; het staat van begin tot eind onder hoogspanning, de creatieve hoogspanning waarvan de tekst zelf het resultaat is. Voelbaar is hoe de auteur alles op alles zet om zijn bestaansrecht als schrijver — surrealist, realist — te bewijzen: vandaar de vermetelheid, de wendbaarheid, de jeugdigheid die er ook nu nog in doorklinken. Moest Aragon zich bij La Défense de l’infini gewonnen geven aan de krachten die hem beheersten, in Le paysan de Paris overwon hij zijn obstakels. Aragon bleek sterker dan de literatuur zonder de literatuur te verlaten. Hij heeft ons beet.

Een woord over de vertaling. Om een oplossing te vinden voor de dikwijls fascinerende interpretatieproblemen die tijdens het vertalen rezen, ben ik meer dan eens te rade gegaan bij het werk van voorgangers, lichtende voorbeelden of stenen des aanstoots: Frederick Brown [Nightwalker, Prentice-Hall, 1970], Simon Watson Taylor [Paris Peasant, Jonahtan Cape, 1971], Rudolf Wittkopf [Pariser Landleben, Rogner & Bernhard, 1969] en Lydia Babilas [Der Pariser Bauer, Suhrkampf, 1996]. Voor de aan deze uitgave toegevoegde aantekeningen heb ik mijn licht onder meer opgestoken bij Simon Watson Taylor (wiens noten gebaseerd zijn op commentaar van Aragon zelf) en bij Lydia Babilas. Nuttig was ook de Aragon-site van Aragonspecialist Babilas, waar een selectie te vinden is uit de omvangrijke secundaire literatuur over Le paysan de Paris, plus een aantal fragmenten uit teksten van diverse critici. Aldaar treft men ook een overzicht aan van links naar andere Aragon-sites.

[nawoord bij De boer van Parijs, vertaling Rokus Hofstede, Historische Uitgeverij, 1998, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email