De lach van de leegte

Een roman die zich afspeelt in de schaarse ruimte tussen twee vrijwel identieke zinnetjes. Dat is Je m’en vais, het boek waarmee Jean Echenoz vorige week zeer terecht de prestigieuze Prix Goncourt won. Twee vrijwel identieke zinnetjes, de begin- en de slotzin: ‘Je m’en vais’ (ik ga bij je weg, Suzanne) en ‘je m’en vais’ (ik drink één glaasje mee, dan ga ik weer). Na 250 bladzijden zijn we nog altijd ongeveer even ver. Nee, in de romans van Jean Echenoz wil het allemaal niet zo vlotten.

Toch kun je bepaald niet zeggen dat er in die romans geen voet wordt verzet. Iedereen is juist voortdurend onderweg – maar waarheen, dat is de grote vraag. Neem nu Ferrer, de held van Je m’en vais. Hij reist naar de Noordpool om een kunstschat op te halen, raakt die in Frankrijk weer kwijt en reist de dief achterna naar Spaans Baskenland, waar hij hem inderdaad bij de kladden krijgt. Kunstschat gered. Maar is Ferrer nu gelukkig, zoals zijn voornaam Félix suggereert? Felix, qui potuit rerum cognoscere causas, zegt Vergilius, oftewel, in de vertaling van Ida Gerhardt: ‘Gelukkig, wie der dingen oorzaak mocht doorgronden.’ Zoveel is Ferrer niet gegeven. De lezer evenmin, trouwens.

Echenoz speelt met onzekerheden. Hij ontleent zijn plot vaak aan een genre uit de ontspanningslectuur – in dit geval het misdaadverhaal – en holt dat vanbinnen uit, zodat alleen het geraamte nog overeind staat, als een kaartenhuis dat elk moment kan instorten. Natuurlijk zijn er altijd lezers die dat niet zien: de kilometervreters, de snelheidsmaniakken, de boekverbruikers. Echenoz is een van die schrijvers die je niet alleen moet lezen maar vooral ook moet herlezen. Pas dan wordt duidelijk hoeveel eigenlijk ónduidelijk is – ambigu, duister, ongewis. De wereld is een woud van symbolen waarvan de symboliek ons ontgaat.

Of nee, niet helemaal. We hebben immers met een kunstwerk te maken, en in tegenstelling tot de grote bouwheer des heelals heeft de demiurg die de wereld van Félix Ferrer heeft geschapen er alle belang bij dat wij – zijn lotgenoten – zijn bedoelingen begrijpen. Vandaar dus naast veel onzekere symbolen ook veel symbolen van onzekerheid, zoals bijvoorbeeld de kluis waarvan Ferrer allang de combinatie is vergeten: een prachtig beeld voor het menselijk tekort. Als je dat erin wilt zien althans, want die kluis wordt zo terloops genoemd dat zelfs de grootste haters van zinnebeelden er niet over zullen struikelen. Echenoz is allesbehalve een pseudo-diepzinnige symbolenkramer.

Wat is hij dan wel? Een woordentovenaar, een stilist van de Franse taal die misschien alleen in Pierre Michon zijn gelijke kent. Niet dat de twee heren verder veel gemeen hebben: bij Michon is alles vervorming en nadruk, terwijl Echenoz de lezer juist in zijn ban brengt met zijn vloeiende, ogenschijnlijk nonchalante schrijftrant. Zijn boeken zijn als de stillevens van de achttiende-eeuwse schilder Chardin, die de dingen net als hij laat glanzen in hun zuivere uiterlijkheid, onnadrukkelijk maar o zo verleidelijk.

Dat verleiden van de lezer is Echenoz inderdaad wel toevertrouwd. Een van zijn grootste troeven is daarbij zijn ingetogen maar altijd verrassende humor, volstrekt het tegendeel van de uitgesponnen, zelfingenomen grappen waarmee Amélie Nothomb haar romannetjes pleegt te doorspekken, om maar een voorbeeld te noemen van hoe het niet moet. Echenoz schuwt de publiciteit en loopt ook in zijn boeken niet met zijn eigen kunnen te koop, en juist daardoor wordt zijn humor nooit voorspelbaar. Groeien er in het hoge noorden van Canada geen bomen, zelfs geen sprietje gras? Dat komt doordat er in die buurt de laatste vijftig miljoen jaren heel wat is veranderd, luidt de uitleg. (Immers, ooit groeiden er populieren, beuken, druiven en sequoia’s, maar dat is nu verleden tijd.)

Humor is een serieuze zaak van mensen die weigeren de wereld volledig serieus te nemen. Daarom zijn kunst en humor nauw met elkaar verwant: ze plaatsen zich op de grens, relativeren, zetten vraagtekens. Dat doet Echenoz inderdaad voortdurend, niet in expliciete bewoordingen maar tussen de regels door, voor wie het wil zien. Hier bijvoorbeeld: ‘In de omgeving van de Madeleine hingen uitgedoofde sterren aan elektrische slingers boven straten die nog leger waren dan de metro. De opgesmukte etalages van de luxe boetieks attendeerden de afwezige voorbijgangers erop dat het leven zou doorgaan na de feestelijkheden rond de jaarwisseling. Eenzaam in zijn jas liep Ferrer om de kerk heen naar een even nummer van de Rue de l’Arcade.’

Het subversieve van een passage als deze schuilt niet zozeer in de impliciete cultuurkritiek, die we inmiddels wel kennen, maar vooral in de leegte waarmee de consumptiemaatschappij hier wordt geassocieerd, alsof het een sinister toekomstbeeld betreft: alle mensen zijn verdwenen, de sterren zijn uitgedoofd, maar het reuzenrad van de reclame blijft doordraaien voor die ene overlevende die daar rondloopt, eenzaam in zijn jas. De mens, een aangekleed deel van de ruimte, schrijft een andere Franse auteur (een zekere Houellebecq).

Overlevenden, dat zijn alle personages van Jean Echenoz in feite: schipbreukelingen uit een betere wereld, allemaal op hun eigen eilandje terechtgekomen. De tijd gaat door, de geschiedenis staat stil. We kunnen nog zoveel kunstschatten uit vastgelopen schepen in het Noord-Canadese pakijs gaan halen, we kunnen nog zo vaak bestolen worden en de dief al dan niet bij de kraag vatten, uiteindelijk verandert er niets: de speelruimte is minimaal. Ferrer gaat bij Suzanne weg om een nieuw leven te beginnen met Laurence, maar een aantal maanden later staat hij alweer op straat. Zelfs de volgorde waarin hij zijn gezicht wast (van links naar rechts en van onder naar boven) ligt onwrikbaar verankerd, evenals de vraag hoe hij aan dat ritueel kan ontkomen – die allang tot het ritueel zelf is gaan behoren.

Tijd zonder geschiedenis is lege tijd, ruimte zonder communicatie is lege ruimte. Wat Echenoz ons met al zijn muzikaliteit, lichtheid en sprankelende humor laat horen is dan ook niets anders dan het geluid van de leegte. Vraag me niet hoe het klinkt: voor iedereen verschillend, waarschijnlijk. Ik meen er vaag iets van een lach in te horen, maar misschien is dat wel de echo van het geluid dat ik zelf voortbreng. Met Jean Echenoz valt heel wat af te lachen. Tot huilens toe.

  • Jean Echenoz, Je m’en vais. Minuit, 1999.

[de Volkskrant, 12 november 1999, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email