N.N. (Meester van De psyche)

Beeldhouwer, actief in Italië in de zestiende eeuw.

Ergens in de 19de eeuw werd in de tuin van een nonnenklooster in Rome, bij het delven van een graf voor een jonge non, een witmarmeren beeld opgegraven. Het was een psyche, een jonkvrouw met vlindervleugels, naar de mythe van de beeldschone Kretenzische koningsdochter die de liefde van Amor won en onsterfelijk werd. Het beeld bleek te zijn vervaardigd door een arme jonge beeldhouwer uit het cinquecento, van wie geen enkel ander werk bekend is.

Net als de antieke meesters wilde de kunstenaar in marmer houwen wat er zich uit zijn hart verhief tot het oneindige, maar hij vroeg zich af hoe en in welke vorm. Naar verluidt zag hij op een dag in de tuin van een paleis een jonkvrouw, zo fijn van vorm, zo licht, zo schoon, als de Psyche van Rafael. Hij boetseerde in klei zijn psyche, en toen de vader van de jonkvrouw hem een bezoek bracht, beloofde die het beeld, zodra het in marmer vervaardigd was, te kopen. De jonge kunstenaar toog aan het werk en beitelde een zeer bekoorlijke psyche, met een hemelse, onschuldige glimlach. Toen hij aan de edelman ging melden dat zijn schepping voltooid was, liet de jonkvrouw hem ontbieden. Terstond bekende hij haar zijn vurige liefde, waarop zij riep: ‘Waanzinnige! Weg! Naar beneden!’ Een vriend belette hem ternauwernood het marmeren beeld met een hamer te verbrijzelen. Na wekenlange verdwazing en smart sleepte hij de loodzware psyche naar de tuin, stortte het beeld in een gat en wierp er aarde over. ‘Weg! Naar beneden!’ luidde de korte lijkrede. Van de jonge kunstenaar wordt nog verteld dat hij zijn verdere leven in een klooster sleet. Tevergeefs zocht hij er zijn heil in de troost van de godsdienst. In zijn doodstrijd riep de verbitterde uit: ‘Here! Here! Wees barmhartig! De gift van uwe genade, mijn roeping in de wereld, heb ik verwaarloosd, van mij gestoten. Mij ontbrak de kracht, Gij schonk mij die niet. De onsterfelijkheid, de psyche in mijn borst – Weg! Naar beneden!’ Zijn geraamte werd bijgezet in een nis van mensenbeenderen, zoals er tot op de dag van vandaag worden aangetroffen in de grafgewelven van kloosters. Alleen zijn Psyche is onsterfelijk geworden.

  • Hans Christiaan Andersen, De Psyche, 1874

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email