Een dag op planeet aarde

Op een landweg in Brabant staat een Mercedes met in de kofferbak de stoffelijke resten van de broers Hans en Jan van Reken. Op de Westerschelde, ter hoogte van de Eendrachtspolder, maakt de duwboot Na-He slagzij. In Den Haag worden in een kooi drie aapjes met leeuwenkoppen tentoongesteld. Op de vrije markt van Rotterdam bedraagt de prijs van duizend vaten West Texas intermediate twintigduizend dollar. Het regent boven de Amsterdamse grachten, aan de kust van het IJsselmeer, op de Waddeneilanden en in Winschoten, waar meester Wielinck, rechter bij het kantongerecht, peinzend een pijp opsteekt. Hij heeft zojuist vernomen dat een man die hij voor rijden onder invloed tot twee weken gevangenisstraf en een jaar ontzegging van de rijbevoegdheid heeft veroordeeld, al drie maanden dood is.

Het bovenstaande is een overzicht van alle opmerkenswaardige gebeurtenissen in Nederland op 21 maart 1989 – opmerkenswaardig genoeg althans om door Olivier Rolin te worden verwerkt in zijn roman L’Invention du monde uit 1993, nu door Katelijne de Vuyst en Marij Elias vertaald als De uitvinding van de wereld. In de vertaling is de Franse ondertitel, ‘roman’, weggevallen, en niet ten onrechte. Met het traditionele romangenre heeft dit boek hoegenaamd niets van doen. Het wil niet minder zijn dan het portret van de wereld, het panorama van één dag op planeet aarde.

De formule is in al zijn eenvoud verbluffend. Rolin heeft uit alle hoeken van de aardbol kranten naar zich laten opsturen, 491 kranten die, in 31 verschillende talen, op die eerste dag van de lente verschenen. Vervolgens heeft hij ze waar nodig laten vertalen. De inventarisatie en classificatie van dat bronmateriaal nam twee jaar in beslag, het eigenlijke schrijven nog eens zoveel. 48 hoofdstukken lang beschrijft Rolin de 48 uur die verstrijken tussen de zonsopgang in de meest oostelijke tijdzone en de zonsondergang in de meest westelijke. Honderden feiten, anekdotes en locaties passeren de revue. Duizenden personages, met naam en toenaam vermeld, worden opgevoerd en even snel weer afgevoerd. De uitvinding van de wereld is een poëtische evocatie van de onuitputtelijke veelvormigheid van het aardse bestaan, een grootse poging om alles wat op een willekeurig punt in de tijd voorviel samen te voegen tot één totaal verhaal.

Als motor van dat verhaal fungeert een verteller die, net als in eerdere romans van Rolin, in de ik-vorm het woord neemt. Maar anders dan in Meroë of Papieren tijger is hij hier geen herkenbaar zelfportret van de auteur. Nu eens doet hij zich voor als een godheid, een alziend oog dat met bovenmenselijke onthechting ’s werelds loop aanschouwt en voor het voetlicht brengt. Dan weer ontpopt hij zich als een wat nurkse oude sater die zich omringt met steeds wisselende muzen, attractieve jonge vrouwen wier voornaamste taak het is hem lekker te maken en aan de praat te houden.

Tegenspeler van die verteller is een personage uit Jules Vernes Reis om de wereld in 80 dagen, Dr. Fix, de tenenkrommende belichaming van domheid en conformisme, de pleitbezorger van ‘steekhoudende’ verhalen waarin ‘mensen van vlees en bloed’ ten tonele worden gevoerd.

De uitvinding van de wereld behoort tot de buitencategorie van proza dat de ambitie heeft de hele wereld te omvatten. Aan dat megalomane streven ontleent het een ongebreidelde vrijheid: geen boek komt qua vorm ook maar in de buurt van wat Rolin hier najaagt. Toch voegt het zich wel degelijk in een traditie, in een voorgeslacht van auteurs die Rolin via citaten, knipoogjes en pastiches opvoert als schutspatroons en stijlmodellen: Lucretius en Ovidius, Camões en Whitman, Joyce en Borges, Calvino en Perec, nog anderen, stuk voor stuk vormvernieuwers die een poging hebben ondernomen de wereld in haar onoverzichtelijke totaliteit te verbeelden.

Italo Calvino gebruikt in zijn Zes memo’s voor het volgende millennium de term hyper-roman om boeken te karakteriseren die geen verhaal zijn waarin een schrijver zich uitdrukt als ‘unieke persoonlijkheid’, maar een open encyclopedie, een netwerk van ongelijksoortige elementen, waarin een schrijver ‘monsters neemt uit de potentiële veelvoud van het vertelbare’. In de door Olivier Rolin genomen monsters uit de vormeloze massa faits divers van zijn 491 kranten komt vooral de zwarte zijde van het bestaan aan bod: misdaden, moorden, zelfmoorden, verkrachtingen, ongelukken – De uitvinding van de wereld is een catalogus van menselijk lijden. Rolin heeft duidelijk meer oog gehad voor de sensationele berichten van de boulevardpers dan voor de headlines van het wereldnieuws. Wat hem aantrok waren de romaneske details, oftewel het ‘samenspel van het krankzinnige en het authentieke’.

De uitvinding van de wereld doet niet onder voor zijn weidse titel: het is een wereldomvattend boek dat nadrukkelijk ambieert zich te voegen tussen de klassiekers uit de wereldliteratuur. Des te opmerkelijker is het dat L’Invention du monde tot nog toe behalve in het Nederlands alleen in het Spaans en Portugees werd vertaald. In Frankrijk beperkten bovendien de meeste commentaren zich tot bewondering voor de geleverde krachttoer, met voorbijgaan van de literaire waarde. Rolin liet er in interviews geen twijfel over bestaan dat hij verbitterd was over de tegenvallende ontvangst van zijn magnum opus.

Een mogelijke verklaring voor dat relatief beperkte succes is het ‘on-Franse’ karakter van het boek: het bevat beduidend meer straatrumoer dan in Frans proza gebruikelijk is, het verhoudt zich niet exclusief tot de nationale literaire traditie en het lijft een veelheid aan talen in – Rolin citeert veel Engels en Spaans. Maar misschien is ook het tegenovergestelde waar en is het boek juist uitgesproken ‘Frans’: het procédé van een alwetende verteller die de touwtjes strak in handen houdt kan ook een geforceerde poging lijken om het ruwe materiaal in één perspectief te dwingen. Alsof Rolin, om zich niet te vertillen aan de massa ongedifferentieerde feitjes, zijn verteller van de weeromstuit buiten alle grenzen van de geloofwaardigheid heeft uitvergroot. En alsof via die verteller alsnog de auteur met zijn ‘unieke persoonlijkheid’ om de hoek komt kijken, voor wie het portret van de wereld in eerste en laatste instantie een zelfportret is.

Want als er iets irriteert in De uitvinding van de wereld, dan is het wel de tomeloze grootheidswaan van de ikpersoon. ‘Ik die alles zie, aan alles deelneem, ’s ochtends in de eerste metro spring aan het station Nueve de Julio, op de gelijknamige laan in Buenos Aires, en één minuut later uitstap om te gaan eten in het station stantsija Aleksandra Nevskowo plosjad, helemaal aan het eind van de Nevski Prospekt (het is maar een voorbeeld!)…’ In alle toonaarden wordt de lezer voorgehouden dat hij een ‘weergaloos experiment’ in handen heeft, en het feit dat die snoeverij wordt geïroniseerd doet aan de claims op genialiteit niets af. Het is bekend: eigen roem stinkt.

Sommige lezers, waaronder deze, kunnen bovendien allergisch zijn voor het niet aflatende mannelijke chauvinisme van de verteller, die het hele boek door bronstig blijft oreren voor zijn aanbiddellijk zwijgende en immer beschikbare schonen. Rolins literaire almachtsfantasie is ook een erotische almachtsfantasie: ‘Ik ga je dronken maken met woorden om je makkelijker te kunnen achtervolgen in het onderhout (…) Want ik ben een bacchusstaf van woorden, een erectie en permanente ejaculatie van woorden’.

Dit alles doet niets af aan het feit dat zich in sommige passages een ware vervoering van de lezer meester maakt, niet alleen door de duizelingwekkende geografische alomtegenwoordigheid maar ook door de fysieke roes die Rolins rijke, bij vlagen uitzinnige stijl bewerkstelligt. De ‘onophoudelijke branding van de beeldenzee’ die de lezer in dit boek ondergaat is het literaire equivalent van een uitgesproken hedendaagse ervaring: de chaotische overvloed aan informatie die iedereen via de media te verstouwen krijgt. Met deze hyper-roman heeft Olivier Rolin de mediale fragmentering van de wereld literair bedwongen. Zij het dat de wereld aan het slot van zijn boek uit het zicht verdwijnt en er alleen nog letters overblijven. Taalgenot is de laatste waarheid.

Katelijne de Vuyst en Marij Elias hebben dat taalgenot gloedvol overgedragen, een occasionele uitglijder daargelaten, waarover het passend is te zwijgen. Hun Nederlands, her en der gestoffeerd met Vlaams idioom, zoekt alle uithoeken van het woordenboek op. Een willekeurig citaat: ‘Een van de kogels die de federaal agent uit Washington had afgevuurd draaide tweemaal in een loxodromische spiraal om de wereld, voordat hij de rechter achteruitkijkspiegel vermorzelde van een blauwe Oldsmobile die plankgas over de South Dixie Highway raasde en bestuurd werd door een als vrouw verklede monnik met hoge hakken en een zigeunerinnenjurk.’ De uitvinding van de wereld is een invitation au voyage voor stoutmoedige lezers.

  • Olivier Rolin, De uitvinding van de wereld, vertaald uit het Frans door Katelijne de Vuyst & Marij Elias, IJzer 2006.

[de Volkskrant, 5 januari 2007, © Rokus Hofstede. Dit is de oorspronkelijke tekst van het artikel]