Oersimpele manier om een stad te verwoesten

Mario Vargas Llosa, Nobelprijswinnaar 2010, woonde in de jaren 60 in Parijs, een stad die toen voor veel Latijns-Amerikaanse auteurs gold als een soort nieuw Jeruzalem. De Peruaan was er goed bevriend met de eenentwintig jaar oudere Argentijnse schrijver Julio Cortázar (1914-1984). In 1997 schreef Vargas Llosa een zeer mooi essay over het werk van Cortázar en over de jaren waarin die zijn model en mentor was. Ik las dat essay dezer dagen met stijgende geestdrift – Haan en ik hebben namelijk de afgelopen maanden het complete Franstalige werk van Cortázar vertaald. Vargas Llosa:

Julio Cortázar

‘[…] De literatuur verstikt zichzelf met een overmaat aan conventies en ernst. We moeten haar zuiveren van retoriek en gemeenplaatsen, we moeten haar opnieuw bedelen met de glans van het nieuwe, met gratie, schaamteloosheid, vrijheid. […] De surrealisten waren de uitvinders van de uitdrukking le merveilleux quotidien [het gevoel voor alledaagse wonderen], waarmee ze doelden op de mysterieuze, van contingentie en wetenschappelijke wetten bevrijde realiteit die de dichter kan waarnemen onder de uiterlijke verschijnselen in zijn dromen of wanen. Die wonderbaarlijke werkelijkheid heeft boeken als Aragons De boer van Parijs en Bretons Nadja voortgebracht. Maar ik geloof dat geen enkel hedendaags oeuvre beter aan die omschrijving beantwoordt dan dat van Julio Cortázar: een ziener, die het ongewone vindt in het gewone, het absurde in het logische, de uitzondering in de regel en het wonderbaarlijke in het banale. […] Onder zijn pen konden instructies voor het opwinden van een horloge of het beklimmen van een trap beangstigende prozagedichten worden en tegelijk hilarische pseudo-metafysische teksten.’ (Mario Vargas Llosa, ‘The Trumpet of Deyá’, in: The Review of Contemporary Fiction, 17/1, lente 1997, vert. Dane Johnson; de citaten zijn uit het Engels vertaald door RH.)

Volgens Vargas Llosa vormt Cortázars proza uit de vroege jaren 60 het fantastische, iconoclastische hoogtepunt van wat hij heeft geschreven. In die jaren schreef Cortázar, rechtstreeks in het Frans, de veertien microverhalen die Haan en ik onder de titel De toespraken van de bekkenknijper hebben vertaald voor de Perlouses-reeks van uitgeverij Voetnoot. Het zijn stuk voor stuk fantasmagorieën die bij de lezer het ‘gevoel voor alledaagse wonderen’ kunnen opwekken. In elk verhaal ondergaat de werkelijkheid griezelige of komische transformaties, een uiterst banaal tafereel kan in een paar regels een krankzinnige wending nemen. De lezer maakt kennis met bizarre schepsels, bizarre gebruiksvoorwerpen, bizarre familieverhoudingen. Sommige tekstjes vormen bravourestukjes van surrealistische humor, bijvoorbeeld wanneer Cortázar aanschouwelijk maakt hoeveel vesten je kwijt kunt in een soepketel of waarom de keuze voor een banaan de achterdocht van de autoriteiten wekt. In Cortázars wereld zakt de bezoeker van een mondaine avond door de vloer en verdrinkt, zitten er jaguars in de boter, blijkt een Renault 4 te roken (Gitanes welteverstaan), en stort een alpinist te pletter omdat een jongetje te langzaam leest.

Enkele proeven van Cortázars vertelkunst in De toespraken van de bekkenknijper verschenen eerder in een van de laatste nummers van Raster (2007/122). Daaronder het volgende verhaal:

Oersimpele manier om een stad te verwoesten

Je moet wachten, verscholen in het hoge gras, tot een grote wolk van het cumulustype zich pal boven de gehate stad bevindt. Je hoeft dan alleen nog de verstenende pijl af te schieten, de wolk verandert in marmer en de rest laat zich raden.

Print Friendly, PDF & Email