Martin, Jed

Beeldend kunstenaar (Raincy, 1975 – Châtelus-le-Marcheix, ca. 2055), actief in Frankrijk vanaf circa 2000. Zoon van een succesvol aannemer gespecialiseerd in toeristenresorts, kleinzoon van een dorpsfotograaf. Uit Martins adolescentie is een waterverfschilderij bewaard gebleven, Hooitijd in Duitsland, dat wel is vergeleken met een Cézanne; het getuigt van een klassieke schilderkunstige visie, gebaseerd op het begrip figuratie, waartoe Martin in later jaren zou terugkeren en dat hem roem en rijkdom zou bezorgen.

Martin krijgt toegang tot de Parijse kunstacademie op basis van een reeks foto’s getiteld Driehonderd foto’s van ijzerwaren. Zijn afstudeerproject behelst 11.000 foto’s van gebruiksvoorwerpen, bedoeld als uitputtende catalogus van door de mens gefabriceerde objecten in het industriële tijdperk. Kunsthistorici hebben deze vroege werken geïnterpreteerd als een ‘hommage aan de menselijke arbeid’, en daarmee als een voorafschaduwing van Martins latere productie.

Na aanvankelijk als objectfotograaf te hebben gewerkt voor enkele foto-agentschappen, verwerft Martin zijn eerste succes als beeldend kunstenaar met het exposeren van foto’s van Michelinkaarten op de groepstentoonstelling ‘Restons courtois’, georganiseerd door de Ricardstichting in 2010. Niet veel later vindt in de pas geopende Espace Michelin zijn eerste solotentoonstelling plaats, getiteld ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, een dertigtal foto’s van Michelinkaarten op 1:150.000 van het Franse platteland. In de complexe maar volmaakt heldere tekening van de kaarten wordt van een beperkt kleurengamma gebruik gemaakt; de essentie van de moderniteit gaat in Martins foto’s een synthese aan met de essentie van het dierlijke leven. Vrijwel eenstemmig is de lof van de kritiek; Patrick Kéchichian wijst in Le Monde een parallel aan tussen het werk van Martin en de rationele theologie van Thomas van Aquino: ‘Niet zonder kranige vermetelheid neemt [Martin] het standpunt in van een God die, naast de mens, deelneemt aan de (re)constructie van de wereld.’

De publieke geestdrift voor Michelinkaarten neemt in de maanden na die eerste solotentoonstelling een hoge vlucht. Zijn foto’s verkoopt Martin in eigen beheer via internet voor gemiddelde prijzen van 2.000 Euro per afdruk. Dat succes kan deels sociologisch worden verklaard uit de opleving, in de jaren 10 van de 21ste eeuw, van de cultus van het platteland; uitingen van die tendens zijn onder meer de rage van kookcursussen, de populariteit van streekgerechten en de massale opgang van langeafstandswandelingen.

Omstreeks 2012 vindt Martins veelbesproken ‘terugkeer naar de schilderkunst’ plaats. De Chinese essayist Wong Fu Xin, grootste specialist van het werk van Martin, heeft de tweeënveertig portretten uit de ‘serie van eenvoudige beroepen’ aan de hand van een analogie uit de colorimetrie omschreven als ‘analysespectrum’ voor de studie van maatschappelijke productieomstandigheden. In de daaropvolgende ‘serie van bedrijfscomposities’ staan ontmoetingen en confrontaties centraal; ze bieden een relationeel, dialectisch beeld van het functioneren van de economie. De vroegste doeken, Ferdinand Desroches, paardenslager, en Claude Vorilhon, caféhouder, behandelen op uitsterven staande beroepen, maar vanaf Maya Dubois, ruimtevaartuigonderhoudsassistente wijdt Martin zich aan professies die emblematisch zijn voor de westerse economie aan het begin van het derde millennium.

Het vervaardigen van de ‘serie van eenvoudige beroepen’ kost Jed Martin zeven jaar, de ‘serie van bedrijfscomposities’ anderhalf jaar. Die laatste reeks wordt besloten met Bill Gates en Steve Jobs overleggen over de toekomst van de informatica (ondertitel: Het Palo Alto-gesprek), dat door velen als Martins meesterwerk wordt beschouwd. Het enige schilderij met openlijk autobiografische resonanties (afgezien van Aimée, escortgirl) is De architect Jean-Pierre Martin trekt zich terug uit het management van zijn bedrijf. Er is veel gespeculeerd over de redenen waarom Martin Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt niet heeft voltooid. Wong Fu Xin ziet in dat echec de reden voor Martins terugkeer, een jaar later, naar de ‘serie van eenvoudige beroepen’ voor zijn vijfenzestigste en laatste schilderij: Michel Houellebecq, schrijver.

Naar het schijnt is het schrijversportret in kwestie het onbedoelde gevolg van de tussen kunstenaar en schrijver ontstane vriendschappelijke betrekkingen. Uit de noodzaak om een willekeurig theoretisch discours te produceren teneinde innoverende kunst ingang te doen vinden, had galeriehouder Franz Teller Martin overtuigd om in contact te treden met de auteur van Platform en deze een tekst te vragen ter begeleiding van zijn nieuwe tentoonstelling. De meeste kunsthistorici benadrukken dat Martin in Michel Houellebecq, schrijver breekt met de praktijk van de realistische achtergrond; Houellebecq staat voor een met beschreven vellen papier bedekt bureau, terwijl de muur achter hem volledig met manuscript behangen is; de schrijver vertoont een ongelofelijke expressiviteit, alsof hij zich in een haast demonische trancetoestand bevindt; zijn hand stort zich op een pagina ‘met de snelheid van een cobra die zich op zijn prooi stort’ (Wong Fu Xin).

Het essay van Houellebecq, dat tegenwoordig overwegend als historisch curiosum wordt gezien, bevat niettemin enkele interessante intuïties; als eerste onderstreept hij de eenheid van Martins oeuvre, dat zich aanvankelijk richt op producten en vervolgens op producenten. De visie van Martin is, volgens Houellebecq, eerder die van een etnoloog dan van een politiek commentator; Martin heeft niets van een geëngageerd kunstenaar, hij benadert al zijn onderwerpen met dezelfde onthechte blik, dezelfde koude objectiviteit.

De tentoonstelling, in Galerie Teller, in 2021, betekent de definitieve commerciële doorbraak van Martin. De gemiddelde prijs van de afzonderlijke doeken bedraagt 500.000 euro; Bill Gates en Steve Jobs, aangekocht door een tussenhandelaar in opdracht van die laatste, brengt anderhalf miljoen euro op. De koers van Martins doeken stijgt in de daaropvolgende jaren tot duizelingwekkende hoogtes; die populariteit is niet verwonderlijk: voor verzamelaars vertegenwoordigt zijn werk het summum van avantgardisme in het esthetische domein, en tegelijk een afbeelding van hun eigen geprivilegieerde leefwereld.

Het schilderij Michel Houellebecq, schrijver, dat Martin aan de auteur van Elementaire deeltjes ten geschenke had gegeven, heeft een sleutelrol gespeeld bij de moord op Michel Houellebecq in 2022, en bij de oplossing van die moord enige jaren later. Op het moment van de feiten werd de waarde van het doek geschat op twaalf miljoen euro.

De laatste dertig jaar van zijn leven leidt Martin een kluizenaarsbestaan op het Franse platteland. Hij maakt videogrammen, plantenclose-ups die met behulp van speciale software (waarmee de superpositie van zesennegentig videobanden tegelijk mogelijk is) worden gemonteerd boven op gefilmde industriële objecten (moederboards, microprocessoren en geheugenkaarten) waarvan hij de ontbinding bespoedigt met verdund zoutzuur. In totaal vervaardigt hij zo drieduizend modules van circa drie minuten, hypnotische sequenties waarin de objecten van menselijke makelij geleidelijk aan door het plantenrijk lijken te worden overwoekerd.

Jed Martin is dikwijls aangeduid als erfgenaam van de grote twintigste-eeuwse conceptuele kunstenaars, en zijn werk gepresenteerd als het resultaat van een koude, onthechte reflectie op de toestand van de wereld. Nog nauwelijks onderzocht daarentegen zijn de opmerkelijke parallellen tussen het plastische werk van Jed Martin en het proza van Michel Houellebecq. Beiden geven blijk van satirisch talent, van een scherp en soms wreed observatievermogen, van een vervreemdende sociologische distantie tot hun stof. De figuratieve schilderstijl van de eerste, waarin wordt gespeeld met de picturale codes van de laat-negentiende-eeuwse academische kunst, of zelfs met die van het socialistisch realisme, vertoont ontegenzeglijk verwantschap met de neorealistische, balzaciaanse esthetiek van die laatste. Voor beiden geldt bovendien dat ze nooit zelf besloten om aan een doek of een boek te beginnen. Een kunstenaar, stelt Jed Martin in een interview, is in wezen onderworpen: aan mysterieuze boodschappen, intuïties, die een categorisch bevel bevatten waaraan hij zich niet kan onttrekken. In dezelfde lijn heeft Houellebecq niet lang voor zijn tragische dood verklaard dat hij, om een roman te kunnen schrijven, moet wachten tot zich een authentieke kern van noodzaak voordoet, tot het werk compact en onweerlegbaar is, als beton dat begint te stollen.

  • Michel Houellebecq, La Carte et le territoire, Flammarion, 2010.

[De reactor, 15 oktober 2010, © Rokus Hofstede.]

Print Friendly, PDF & Email