Pierre Bergounioux, ‘Permeke’

[…]

We verlaten het gestaag veroverde terrein, het perspectief, het respect voor proporties, het haarscherpe oog voor details, de kundige omgang met kleuren. De figuren van Permeke lijken met een onbeholpen, kinderlijke hand te zijn getekend, uit onvermogen om de elementaire anatomische vormen waar te nemen – houterige, asymmetrische lichamen, grove handen, logge voeten, summiere trekken. De representatie van mannen in colbertkostuum wordt aangetast door wat wel iets wegheeft van de Art nègre die Derain, Apollinaire en Picasso niet veel veel later zullen ‘uitvinden’, hedendaagse Europeanen worden de belichaming van vroegere, primitieve, achterhaalde stadia van de beschaving. En dat is geen toeval, want op dat moment van de geschiedenis wankelen de verworvenheden en veroveringen van de westerse wereld. De onmetelijke ressources van het westen zijn dienstbaar gemaakt aan de verschrikkelijke, barbaarse doeleinden die het heeft omhelsd, totale oorlog en totalitarisme, moorddadig nationalisme, vernietiging van de rede, inclusief boekverbrandingen en, later, het verbranden van mensen.

Het zou merkwaardig zijn als de aantasting van de vorm niet door de kleur wordt nagevolgd. Kleuren ontkomen er niet aan. Nadat ze als nooit tevoren hebben geschitterd op de doeken van de voorafgaande eeuw, lijken ze nu aan bloedarmoede te lijden, weerzin te wekken. Wat de overhand krijgt zijn de tinten van de modder, de schemer, de winter, de misère, de rouw, die daarbij lukraak op het doek worden geslingerd, zonder bekommernis om de stofuitdrukking, alsof de wrok, de wanhoop van de mensen van toen over een wereld ten prooi aan rampspoed zich tot de schilderkunst uitstrekt.

Maar kunst is representatie, distantiëring, inzicht, begrip. De zwaktes, tekortkomingen, armoede en treurnis van de kunst zijn, anders dan wat we in eerste instantie in het leven meemaken, doordacht, gewild, uitgewerkt. Ze verplaatsen de ervaring naar het vlak van de expressie, sublimeren de emoties, de pijnlijke passies die onze bijdrage aan het bestaan zijn wanneer dat bestaan versombert. En al doende – dat is de artistieke magie – verlichten ze het, in de dubbele zin van het woord.

Wat onverlet laat dat het een niet zonder het ander gaat. Het beeld van het ding verwijst naar en herinnert aan het ding. De wereld, waarvan wij de tijdelijke bewoners zijn, is een eeuw geleden getroffen door misdadige krankzinnigheid, heeft een gruwelijke poging gedaan om zichzelf te verwoesten. De grootheid van de kunst is dat het die neergang, die rampspoed heeft uitgebeeld. Maar de smaak van rampspoed blijft vastzitten aan de representatie ervan. Daarom voegt zich bij het genot waarmee we naar de doeken van Permeke kijken een onbedwingbare aarzeling. Die is onlosmakelijk verbonden met onze verhouding tot het verleden, tot de kunst die er getuigenis van aflegt.

[Pierre Bergounioux, ‘Permeke’ (fragment), vertaling Rokus Hofstede, in: Proza voor Constant Permeke, Constant Permeke Retrospectieve, Bozar, Brussel, 11.10.2012 > 10.01.2013]