Charles Baudelaire, Mijn hart blootgelegd, nawoord

Je veux dater ma colère, ‘ik wil mijn woede dagtekenen’, schrijft Charles Baudelaire (1821 – 1867) onder aan een prozafragment waarin hij het einde van de wereld aankondigt. In het manuscript staat boven het omcirkelde woord colère het woord tristesse geschreven. De aarzeling is veelzeggend. Woede kan naar binnen slaan, verdriet kan worden uitgeschreeuwd – die in elkaar overlopende passies vormen de emotionele humus van de nagelaten notities die hier onder de verzameltitel Mijn hart blootgelegd zijn bijeengebracht. ‘Aantekeningen van een misantroop’ gold lange tijd als werktitel van dit boek, naar analogie van een schets uit 1863 die Baudelaire Lettres d’un atrabilaire, ‘Brieven van een zwartgallige’ had genoemd. Maar deze prozafragmenten uit Baudelaires laatste levensfase onder de ene noemer van de misantropie brengen zou een versimpeling zijn. Allerlei toonaarden en tekstvormen komen aan bod in dit tegenstrijdige zelfportret, de verbittering wordt genuanceerd door vermaningen en gebeden, kluchtige scènes en koddige citaten, poëtische mijmeringen en poëticale terzijdes. De titel Mijn hart blootgelegd is niet alleen veelzijdiger maar bovendien door Baudelaire zelf gekozen: hij vond die titel, Mon coeur mis à nu, bij de door hem bewonderde en vertaalde Edgar Allan Poe. In diens postuum gepubliceerde Marginalia (1850) daagt Poe auteurs van de toekomst uit om een boekje te schrijven dat ze de simpele titel My Heart Laid Bare zouden moeten meegeven en dat, als ze in staat zijn om de inhoud met de titel te laten overeenstemmen, volgens Poe in de wereld van het denken een radicale omwenteling tot stand zou brengen.

In zijn huidige gedaante slaat Mijn hart blootgelegd op de onvoltooide, nagelaten restanten van een groot autobiografisch geïnspireerd prozaproject dat Baudelaire in de laatste tien jaren van zijn werkzame leven voor ogen stond. Twintig jaar na zijn dood, in 1887, werden die fragmenten door Eugène Crépet voor het eerst gebundeld in de door hem bezorgde Œuvres posthumes onder de titel Journaux intimes. Sindsdien is Journaux intimes de gangbare titel gebleven, hoewel die de lading nauwelijks dekt, want al geeft Baudelaire zich in deze fragmenten bloot, hij doet dat niet in rechtstreeks autobiografische, laat staan in intieme zin, en het gaat hier allerminst om dagboekaantekeningen. De eerste reeks fragmenten, Fusées, vertaald als ‘Flitsen’, ontstond tussen 1855 en 1862, en heeft het meest weg van een traditioneel schrijverscahier. Met zijn aforismen, notities van esthetische of politieke aard en schetsen van wat later prozagedichten zullen worden, vormt ‘Flitsen’ literair ook het meest geacheveerde, meest gedistantieerde deel van het boek. De titel Fusées (‘vuurpijlen’) en de veelvuldig gebruikte genre-aanduiding ‘suggestions’ heeft Baudelaire andermaal bij Poe gevonden, in wiens Marginalia de term ‘sky-rocketing’, afgeleid van het Duitse ‘Schwärmerei’, doelt op ‘a particular style of criticism which has lately come into fashion’; Marginalia bevat twee gedachtenreeksen met als titels ‘Fifty Suggestions’ en ‘A Chapter of Suggestions’. ‘Vuurpijl’ is een metafoor voor de inval, het lumineuze idee, de gedachteflits, het concetto; ‘suggestie’ duidt op de beknopte, gebalde vorm, verwant aan het aforisme, die, conform Baudelaires esthetische opvattingen, ‘ruimte laat voor gissingen’.

De afdeling die door Baudelaire Mon coeur mis à nu is genoemd ontstond tussen 1860 en 1864 in het kielzog van Fusées. Hij spreekt veelvuldig in zijn brieven over dit livre de rancunes, waarvan hij een genoegdoening verwacht die zijn bekendheid als Poe-vertaler en zijn vooralsnog beperkte erkenning als dichter hem niet kunnen verschaffen. In de kladnotities waartoe het project beperkt is gebleven, boekstaaft hij ontgoochelingen en vereffent hij persoonlijke rekeningen, analyseert hij zijn politieke desillusies en fulmineert hij tegen de domheid en platvloersheid van zijn tijd. Hij vergrijpt zich aan Victor Hugo, aan Georges Sand, aan alle andere letterkundigen, aan vrouwen en joden, aan vooruitgangsoptimisten en vrijdenkers, aan liberalen en socialisten, aan Frankrijk en België. ‘Ik zou de hele wereld tegen me willen opzetten’, schrijft hij op 23 december 1865 aan zijn moeder. Hij heeft het vooral gemunt op de mooie woorden en holle frasen van het hem omringende moralisme, maar komt bij vlagen ook over als een in zijn roemzucht gefnuikte narcist die uit is op revanche. Hoe dan ook, ‘het aristocratische plezier om weerzin te wekken’ is ook honderdvijftig jaar na dato heel wel aan Baudelaire besteed. Zo stuit de lezer op onverbloemde uitingen van misogynie, waarvan het minste wat je erover kunt zeggen is dat ze de merite van hun eerlijkheid hebben. Dat Baudelaire zich ook wel bewust is van zijn vooroordelen blijkt uit zijn correspondentie: tegenover Judith, de dochter van Théophile Gautier, rept hij van zijn ‘lelijke opinies over vrouwen in het algemeen’, en tegenover mevrouw Sabatier van zijn ‘walgelijke vooroordelen tegen het vrouwelijke geslacht’. De antisemitische oprisping die eveneens op deze bladzijden is aan te treffen (‘Er valt een mooi complot te smeden voor het uitroeien van het Joodse Ras’) is minstens zo opmerkelijk, al is die ambivalent, want het volk Israëls wordt door Baudelaire niet alleen met ijselijke intuïtie opgevoerd als latent slachtoffer van een samenzwering, maar in de regel die volgt ook beschouwd als bevoorrecht getuige van het Laatste Oordeel. En hier zij toch ook opgemerkt dat er afgezien van deze gruwelijke boutade in Baudelaires werk geen sporen van antisemitisme te vinden zijn.

Op ‘Mijn hart blootgelegd’ volgt een reeks losse, marginale notities onder de titel Hygiène, waarin een heel andere toon wordt getroffen. Baudelaire spreekt zichzelf hier vermanend toe en jaagt zich tot bidden en werken aan. Volgens Baudelaires biograaf Claude Pichois is ‘Hygiëne’ de neerslag van de religieuze crisis die Baudelaire tussen 1860 en 1862 doormaakte. In zijn monografie Baudelaire (1947) noemt Sartre deze aantekeningen ‘navrant pueriel’; ze zijn in elk geval niet vrij van pathos, de uiting van een (tevergeefs) nagejaagde hoop op roem en rijkdom door arbeid.

De keuze om ‘Flitsen’, ‘Mijn hart blootgelegd’ en ‘Hygiëne’, aan te vullen met een lang fragment uit La Belgique déshabillée, het tussen 1864 en 1866 door Baudelaire vergaarde dossier over België, is ingegeven door André Guyaux, de bezorger van het in 1986 bij Gallimard verschenen Folio-deel met nagelaten proza. Guyaux betoogt overtuigend dat de geannoteerde krantenknipsels en humeurige notities over België in het rechtstreekse verlengde liggen van ‘Mijn hart blootgelegd’, met dien verstande dat Baudelaires gram nu niet meer gericht is tegen de wereld als geheel en Frankrijk in het bijzonder, maar wordt toegespitst op het land waar hij in zijn laatste actieve jaren een vrijwillige ballingschap uitzit, en dat de toon kluchtiger is dan in de voorgaande delen – conform Baudelaires adagium dat de ‘geest wordt gestreeld door vermenging van het groteske en het tragische’. Het België-dossier krijgt meestal de titel Pauvre Belgique, ‘Arm België’ mee, maar nadat ene Auguste Rogeard in 1865 een anti-imperialistisch pamflet het licht had doen zien onder de titel Pauvre France, was La Belgique déshabillée, ‘België uitgekleed’, de titel die Baudelaire het veelvuldigst bezigde.

Opgenomen is het enige door Baudelaire zelf min of meer uitgeschreven deel van het België-dossier, het zogeheten ‘Argument du livre sur la Belgique’ (‘Synopsis van het boek over België’), voltooid amper twee maanden voor zijn fatale instorting in maart 1866. Feitelijk gaat het om een samenvatting van het smaadschrift dat Baudelaire over België in gedachten had, geschreven ten behoeve van zijn potentiële uitgever Lemer. Het integrale dossier, inclusief de door Guyaux ook opgenomen krantenknipsels waarmee Baudelaire zijn polemische vuur aanwakkerde, behelst meer dan 300 pagina’s. Het aantal thematische dwarsverbanden met de voorgaande reeksen notities is groot. Ook eerder al wordt er gefoeterd op de Belgen, en ook in de tekst over België moet het vooruitgangsdenken het ontgelden.

Maar hoeveel onderlinge samenhang de diverse delen van Mijn hart blootgelegd ook vertonen, als geheel maken ze onvermijdelijk een onaffe indruk. Ze bevatten tal van herhalingen en overlappingen en blijven mijlenver verwijderd van de formele perfectie die kenmerkend is voor de gedichten in Les Fleurs du mal en Le Spleen de Paris. Hoe fraai verwoord sommige aforismen en passages ook zijn, het belang van dit proza ligt vooral in de onthulling van het netwerk van thema’s en motieven dat aan de basis ligt van Baudelaires poëzie en in de blik die het gunt achter de schermen van zijn dichterschap – zijn wereldbeeld, zijn obsessies, wat je zijn lichaamstaal zou kunnen noemen. Ressentiment, de bittere vrucht van woede en verdriet, jaagt Baudelaire aan in dit poëtische testament, en dat levert niet altijd aangename lectuur op, maar wel prikkelend, scherp en suggestief proza, dat essentieel is gebleken niet alleen voor een goed begrip van Baudelaires werk maar ook voor inzicht in de opkomende burgerlijke samenleving waar hij met groot visionair vermogen zijn vrolijke grimmigheid op botvierde, zoals blijkt uit de prominente rol die Mijn hart blootgelegd vervult in het commentaar op Baudelaires werk bij Nietzsche, Benjamin, Sartre, Pachet, Lepape, Compagnon en vele anderen.

Cruciaal voor de ideeën die Baudelaire in de laatste tien jaar van zijn leven ontwikkelde en die hun neerslag kregen in het hier gebundelde proza is de invloed van Joseph de Maistre (1753-1821). ‘Maistre en Edgar Poe hebben mij geleerd hoe ik moet redeneren’, schrijft Baudelaire niet voor niets: Maistres ideeën over de Franse Revolutie, de functie van het offer, de rol van bijgeloof, de wet van de voorzienigheid, de erfzonde, de universele religie, de complementariteit van tegendelen, de historische continuïteit, het bestaan van een rationele hiërarchie en de natuurlijkheid van vrouwen, ze zijn alle in meer of minder bewerkte vorm in Baudelaires aantekeningen terug te vinden. Het is verleidelijk om dit gedachtegoed te bestempelen met een ingeburgerd etiket als ‘reactionair’ of ‘conservatief’, maar dat is niet per se verhelderend. De Franse literatuurhistoricus Antoine Compagnon heeft in Les antimodernes, de Joseph de Maistre à Roland Barthes (2005) laten zien hoe Maistre en zijn discipel Baudelaire kunnen worden beschouwd als vroege vertegenwoordigers van de traditie der ‘antimodernisten’. Met het begrip antimodernisme doelt Compagnon niet op een louter nostalgische, reactionaire reflex maar op een haat-liefdeverhouding tot de moderniteit. Hij herkent daarin een zestal thema’s: in politiek opzicht een pleidooi voor de contra-revolutie, in filosofisch opzicht een afwijzing van het Verlichtingsdenken, in moreel opzicht een pessimistische grondhouding, in theologisch opzicht een omarming van de erfzonde, in esthetisch opzicht een opwaardering van het sublieme en in stilistisch opzicht een voorkeur voor vervloekingen, onheilsprofetieën en paradoxen.

Deze zes thema’s worden op talloze plaatsen in Mijn hart blootgelegd geïllustreerd. Uit vele passages blijkt Baudelaires fascinatie voor de Franse Revolutie, al is die ambivalent: zijn geafficheerde afkeer van volkssoevereiniteit en algemeen kiesrecht is niet in strijd met zijn omarming van de door mensenmassa’s teweeggebrachte roes en zijn haast mystieke bewondering voor de doodstraf als heilig offer en voor het schavot als een ‘altaar’. Voortdurend keert hij zich tegen het moderne dogma bij uitstek, het vooruitgangsgeloof (‘een doctrine van Belgen’) en tegen de uitvinders ervan, de Verlichtingsfilosofen, met name Rousseau en Voltaire. Hij gelooft in de ‘satanische’ natuurlijkheid van het kwaad: het kwaad is overal, al wordt die waarheid aan het zicht onttrokken door de ontkenning van de erfzonde. Belichamingen van het sublieme treft hij aan in de boeteling, de prostituee en de dandy, drie typen rebelse eenlingen voor wie ‘gruwel’ en ‘extase’ elk moment in elkaar kunnen overgaan. En stilistisch betoont hij zich in deze fragmenten regelmatig een wanhopige sarcast die de moderne wereld geselt met paradoxen en provocaties.

Baudelaires antimodernisme belet hem niet om te bekennen hoezeer hij zich op esthetisch vlak modern voelt, sterker nog: Baudelaire vormt in de geschiedenis van de literatuur een van de markantste voorbeelden van die ogenschijnlijk tegenstrijdige combinatie, politiek conservatisme en artistieke vernieuwingsdrang. In die zin bevestigt hij Compagnons stelling dat antimodernisme geen integrale afwijzing van het moderne is maar een specifieke variant ervan. Baudelaire is nota bene de eerste die het begrip ‘moderniteit’ een kunsthistorische lading geeft – of zoals hij het formuleert in zijn befaamde essay uit 1863, Le Peintre de la vie moderne (‘De schilder van het moderne leven’): ‘Onder moderniteit versta ik het vergankelijke, het vluchtige, het toevallige, de ene helft van de kunst, waarvan de wederhelft het eeuwig onveranderlijke is.’ Deze definitie wordt in Mijn hart blootgelegd gestoffeerd en genuanceerd door diverse opmerkingen die cirkelen rond de inherent tegenstrijdige, ambivalente aard van schoonheid, bijvoorbeeld over het grillige, onverwachte, verrassende dat er een wezenskenmerk van is, of over de satanische aard van het Schone.

Vluchtig, grillig en bij vlagen satanisch zijn ook de notities in Mijn hart blootgelegd. In hun onvoltooidheid, in hun onrechtvaardigheid, zelfs in hun sporadische onbenulligheid geven Baudelaires nagelaten fragmenten een schrijnend beeld van zijn intense verlangen om een vóór hem nog niet bestaande, ‘moderne’ dichterlijke sensibiliteit gestalte te geven. Wat mij als vertaler het meest frappeert is de hoogspanning waarvan ze getuigen, een hoogspanning die evenzeer psychologisch en maatschappelijk als stilistisch is en zich uit in de voortdurende botsing van tegenstrijdige driften – despotisme en deemoed, roemzucht en zelfhaat, sarcasme en melancholie, levenslust en zelfkastijding. Er valt uit af te leiden welke spanningen Baudelaire op zich moest laden om het werk te kunnen creëren dat van hem de grondlegger van het poëtische modernisme heeft gemaakt.

Tenslotte kunnen deze regels ook worden gelezen als een zijdelingse autobiografie, als een fragmentarische neerslag van Baudelaires onmin met de wereld in de laatste tien jaren van zijn werkzame leven. Het nadrukkelijkst lijkt zich zo’n biografische lectuur op te dringen in het smaadschrift over België. Teleurgesteld door de reacties op Les Fleurs du mal, gefrustreerd in zijn artistieke ambities en achtervolgd door schuldeisers ontvlucht Baudelaire in 1864 Parijs, maar in Brussel blijkt niemand op hem te wachten, zijn lezingencyclus is een fiasco, zijn ballingschap een lijdensweg, de trotse dandy verwordt tot een door syfilis en achterdocht aangetast wrak. Zo bezien zouden Baudelaires grimmige aantekeningen over de ‘betreurenswaardige Belgen’ vooral van zijn eigen fysieke en mentale neergang getuigen. Maar er pleit ook wel iets tegen dit eenduidige beeld van die ontluisterende Belgische jaren. Philippe Muray suggereert in zijn essay Le XIXe siècle à travers les âges (1984) dat dat karikaturale beeld miskent hoezeer Baudelaires walging voor België een doelbewuste satire is, namelijk bovenal een karikatuur van het gesmade Frankrijk. Een leidmotief in Baudelaires notities over België is inderdaad zijn kritiek op de contrefaçon of ‘namaak’, een verwijzing naar de bloeiende toenmalige Belgische praktijk van de roofdruk maar ook een gemeenplaats in de negentiende-eeuwse perceptie van België door Fransen – Flaubert had het in zijn Dictionnaire des idées reçues (‘Woordenboek van pasklare ideeën’) over Belgen als ‘français contrefaits’, namaak-Fransen. Zijn felste tirades reserveert Baudelaire eerder voor de vrijdenkers dan voor de Belgen. En alle weerzin ten spijt is België toch ook de aanleiding tot een diepe esthetische ervaring: de overrompelende ontmoeting met de ‘geniale Jezuïtische stijl’ oftewel de barok en de rococo in de zeventiende-eeuwse kerken van Antwerpen, Mechelen, Brussel en Namen. Ten slotte bevat de ‘Synopsis van het boek over België’, voor wie bereid is door de overdrijvingen heen te lezen, tal van rake observaties, vanuit historisch maar ook vanuit hedendaags oogpunt – tot op zekere hoogte stelde Baudelaires buitenstaanderschap hem in staat tot een soort rudimentaire historische antropologie van de prille natiestaat België.

De teksten in deze bundel zijn niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Wel hebben selecties van Fusées en Mon coeur mis à nu hun weg gevonden in Jullie gaven mij modder, ik heb er goud van gemaakt. Over Charles Baudelaire (vert. Maarten van Buuren, Historische Uitgeverij, 1995) en in Het cahier Charles Baudelaire (vert. Martine Woudt, Candide, 2005). De ‘Synopsis van het boek over België’ is wel al eerder in het Nederlands verschenen, geïntegreerd in een omvangrijker vertaling van het België-dossier onder de titel Arm België (vert. Joyce & Co, De Arbeiderspers, 1975), waarbij opgemerkt moet worden dat het daar om een bewerking gaat en dat Baudelaires losse aantekeningen door Joyce & Co duchtig zijn geredigeerd en herschikt, om zo de suggestie van een lopende tekst te verkrijgen. Zelf heb ik ervoor gekozen bij de vertaling de onvoltooide aard van de tekst niet te verdoezelen maar juist te benadrukken. Ik heb ernaar gestreefd trouw te blijven aan de aarzelende, provisorische vorm, door cryptische passages cryptisch te laten en sleuteltermen een consequente vertaling te geven, al ga ik niet zover dat ik Baudelaires zelfcorrecties meevertaal. Tegelijk heb ik gestreefd naar maximale vrijheid bij de weergave van de aforistische beknoptheid en de jachtige, kortaangebonden toon van deze niet voor publicatie bestemde fragmenten. Het anarchistische hoofdlettergebruik en de merkwaardige interpunctie van het origineel heb ik gehandhaafd. De ordening en nummering van de fragmenten, na Baudelaires dood aangebracht door diens uitgever Poulet-Malassis, varieert al naargelang de uitgave; ik heb de vereenvoudigde weergave uit Guyaux’ Folio-editie overgenomen. Bij de summiere noten heb ik vooral geleund op de uitvoerige notenapparaten van de Pléiade-editie van Claude Pichois (1975) en de Folio-editie van André Guyaux (1986). Uit het naamregister zijn overbekende namen geweerd. Anneke Pijnappel, Jacob Groot en Martin de Haan dank ik voor hun scherpzinnige vertaaladviezen.

Het is geen toeval dat in dit boek – het (voorlopige) sluitstuk van de Baudelaire-uitgaven van Uitgeverij Voetnoot – België een prominente rol speelt. Deze kans om het land ‘uit te kleden’ waar zowel de uitgevers als de vertaler in vrijwillige ballingschap leven, wilden we niet onbenut laten, onder het motto: kastijd wat je liefhebt – wat nog niet betekent, anders dan Baudelaire suggereert, dat je moet verachten wat je liefhebt.

[nawoord bij: Charles Baudelaire, Mijn hart blootgelegd, vertaling Rokus Hofstede, Voetnoot 2014, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email