Caroline Lamarche, ‘Het einde van de bijen’ (fragment)

Er zijn weken waarin ik het zo vreselijk druk heb dat ik niet eens de tijd neem om mijn moeder te bellen. Als haar iets overkwam, zou ik het niet weten. Ik verdenk haar ervan dat ze wil sterven zonder iemand tot last te zijn, zonder ander voorteken dan een zin die ze zich onlangs droogweg liet ontvallen. Ik vraag me af of ik volgend jaar mijn voorjaarsschoonmaak nog kan doen. (…) Ze zei het op serene toon, precies zoals ze in het jaar dat ze vijfenzeventig werd ook had gezegd: het is voor het laatst dat ik naar mijn bijenkasten in het bos ga.

De kasten stonden op een kilometer van het huis en het pad ernaartoe was slecht begaanbaar, zeker als je een kruiwagen vol ramen met van honing overvloeiende raten voor je uit moest duwen. Vader had de bijenstal gebouwd, met zijn dak van teerdoek en zijn schotten van vurenhout, waaruit goudkleurig sap traande – ook net honing. Maar met de rest bemoeide zich moeder, gehuld in haar witte imkerpak met bijensluier, een plompe hoed op haar hoofd en elastiekjes om haar polsen zodat geen enkele razende werkbij zich tussen de mouw van het pak en de plastic handschoenen kon wurmen. Als ruimtewezen omzwermd door een gonzend eskader ging ze te werk met een zachtzinnigheid die we niet van haar kenden, zij die zo ruw omsprong met bezems, pannen, bestek en emmers. Het huishouden mocht dan oorlog zijn, wanneer ze zich over de bijen boog was ze behoedzaam als een mijnenruimer. Ja, het was een andere moeder, de vrouw die met afgewogen traagheid de honingzolders uit de kasten wegnam, een voor een de ramen lichtte, ze behoedzaam afborstelde om de werkbijen te laten vallen, ze in de kruiwagen vlijde alsof het doeken van oude meesters waren, waarbij ze ze vooral niet stootte en omzichtig liet verspringen.

Onbeweeglijk op het grind van het pad stond ik die metamorfose uit de verte te bezien. Wanneer ze met de kruiwagen voor zich uit weer naar huis liep, bleef ik op veilige afstand, want er waren altijd wel een paar bijen die nijdig de achtervolging inzetten, met hun angel verdwalend in de vouwen van het imkerpak. Na een poos gaven ze het op en dan pas zette mijn moeder haar hoed en bijensluier af. Ik zag weer de gejaagde vrouw die ik kende, hoe ze met grote stappen voortbeende, alsof ze al met haar gedachten bij het vervolg was, de soep die nog op een hoek van het fornuis stond, de tafel die moest worden gedekt, de bedden die al vanaf de vroege ochtend met de ramen wijdopen stonden te luchten. Er moest worden dichtgedaan, opgevouwen, weggenomen, klaargezet, het dienen van de bijen moest opnieuw plaatsmaken voor het dienen van de mensen. (…)

Het is voor het laatst dat ik… Die sereniteit in het uiten van de symptomen van hoge ouderdom interpreteer ik als de uitkomst van een proces dat zich waarschijnlijk maandenlang in stilte heeft voltrokken, waarbij een flink pak zelfverloochening kwam kijken, die christelijke benaming voor verdriet. Op andere momenten denk ik dan weer dat het bij zo’n enthousiaste vrouw alleen kan gaan om het besef van de rijkdom van haar voorbije leven – werken, kinderen grootbrengen, lezen, vreugde en verdriet, stop maar met stapelen, méér hoeft echt niet (…)

Als moeder doodgaat, wordt ze imker voor de eeuwigheid. De dood zal het ijle sfumato herscheppen waardoorheen ik als kind in de schemer van het bos naar haar keek, op veilige afstand turend naar de zachte vrouw die ze, door de bijen, was geworden.

  • Caroline Lamarche, La Fin des abeilles, roman (in wording) – vert. Rokus Hofstede, ter begeleiding van de vertaalworkshop Found in Translation, 12-10-2016, Passa Porta, Brussel
  • Print Friendly, PDF & Email