Riskante relaties: de voetnoten

Pats, de nieuwe Filter valt op de mat. Naast het juryrapport voor de Filter Vertaalprijs 2018 bevat het nummer onder andere ook het traditionele overzicht van het afgelopen vertaaljaar door Ton Naaijkens, die ondanks zijn (helaas niet nader verantwoorde) gehechtheid aan de Morriënversie van Les Liaisons dangereuses wel vrolijk kan worden van mijn nieuwe vertaling.

Naaijkens herinnert me eraan dat ik nog iets wilde schrijven over de vertalersnoten in het boek. Die voetnoten zijn volgens hem ‘weliswaar in de geest van de oorspronkelijke auteur, maar behoorlijk zelfbewust en ongebruikelijk of zelfs not done bij ons.’ Dat klopt, maar het ligt iets subtieler…

De oorspronkelijke auteur, Pierre Choderlos de Laclos, voert zichzelf ten tonele als samensteller en tekstbezorger van de brieven (‘verzameld in bepaalde kring en tot lering van enkele andere openbaar gemaakt door monsieur C*** de L***’) en voegt in die hoedanigheid een groot aantal voetnoten toe: soms informatief, soms oordelend – bijvoorbeeld, p. 29: ‘We herkennen hier de smakeloze voorliefde voor woordspelingen die destijds opkwam en sindsdien in zwang is geraakt.’ Maar de geloofwaardigheid van CdL als samensteller wordt in de allereerste zin van het ‘Voorbericht van de uitgever’ al bij voorbaat onderuitgehaald (‘wij hebben gegronde redenen om aan te nemen dat het slechts een roman betreft’), en zijn rol is dan ook ironisch: de lezer weet dat hij hem met een korreltje zout moet nemen. Datzelfde geldt overigens ook voor de ‘uitgever’ zelf, die weliswaar terechte twijfel bij het echtheidsgehalte van de brieven heeft, maar intussen geen greintje geloofwaardiger is met zijn lofzang op ‘deze tijd van filosofie, waarin het licht der rede zich alom heeft verbreid en, zoals iedereen weet, alle mannen zo deugdzaam en alle vrouwen zo zedig en ingetogen heeft gemaakt’. (Stendhal past een kleine vijftig jaar later hetzelfde ironische procedé toe in Le Rouge et le Noir; in de vertaling van Hans van Pinxteren: ‘Nu wij het erover eens zijn dat in onze voorzichtige en deugdzame tijd het karakter van Mathilde niet kán bestaan, ben ik niet meer zo bang ergernis te wekken met mijn verhaal over de dwaasheden van dit beminnelijke meisje.’)

Vertalers waren in de achttiende eeuw veel zichtbaarder dan tegenwoordig. Als ware ‘cultureel bemiddelaars’ typten ze de tekst niet gewoon even over in een andere taal, maar goten ze hem vaak in een geheel nieuwe, aan het doelpubliek aangepaste vorm – niet zelden inclusief begeleidende voetnoten. Eindnoten bestonden nog niet, de lezer hoefde dus niet eindeloos heen en weer te bladeren om te ontdekken dat hij dat net zo goed niet had kunnen doen. Die achttiende-eeuwse typografische sfeer heb ik in Riskante relaties bij wijze van couleur locale opnieuw willen oproepen door het gebruik van voetnoten met ouderwetse verwijzingstekens: †, ‡ en ¶. De vormgever van het binnenwerk, Steven van der Gauw, stelde eerst gewoon genummerde eindnoten per brief voor, maar dat leverde afgezien van dat vervelende geblader ook een veel te modern bladzijbeeld op. Gelukkig kwamen we er samen snel uit, mede dankzij Stevens briljante vondst om mijn andere typografische wens, het toevoegen van kop- of staartregels met het briefnummer en de namen van de correspondenten (onmisbaar bij het terugzoeken van bepaalde brieven), te verwezenlijken in de vorm van zijregels. Het heeft geleid tot een heel bijzondere vormgeving: hedendaags, maar toch ook met een duidelijke verwijzing naar oude typografische conventies.

Voor de vertalersnoten waren er nu drie opties: helemaal weglaten (zoals bij onze Proust en mijn laatste paar Houellebecqs), duidelijk scheiden van de voetnoten van CdL door er genummerde eindnoten van te maken (blader, blader), of juist opnemen in het ironisch-romaneske geheel, als extra stem naast die van de brievenschrijvers, de ‘samensteller’ en de ‘uitgever’. Het is dat laatste geworden, mede omdat ik ook de titelpagina zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke vorm wilde houden – met de vertaler als nieuwe toevoeging in het rijtje dat er toch al stond:

En juist door de (quasi-)achttiende-eeuwse vorm kreeg ik als vertaler ineens de creatieve ruimte om bij wijze van knipoog naar mijn collega’s van 250 jaar geleden ook een paar ‘behoorlijk zelfbewuste’ voetnoten toe te voegen. De vertaler als personage. Not done, wel gedaan.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *