‘Hooggeachte Herman,’

 

 

Ronse, 7 mei 2020

 

Hooggeachte Herman,

U beschrijft mijn uitzicht.

In ‘Bij mijn venster’ maken op een heerlijke junimiddag omstreeks 1820 de Franse dichteres Marceline Desbordes-Valmore en de eveneens Franse schilder Jacques-Louis David een tochtje per rijtuig richting Alsemberg en Beersel, naar een belvédère boven de Zennevallei. Ze stijgen af ‘ter plaatse genoemd Jeruzalem op Kesterbeek’, een ‘steile heuvel vanwaar men het hele panorama kan bestrijken’. Waarna u de lezer onthaalt op een vier pagina’s lange, lyrische beschrijving van uw eigen Beerselse uitzicht.

> Lees verder

‘Een goed boek overleeft de vertaling’

Het blijft fascinerend om te zien hoe de grootste dooddoeners over vertalen circuleren onder mensen van wie je zou denken dat ze beroepshalve goed geplaatst zijn om beter te weten.

Want wat is vertalen? Vertalen is schrijven.

Schrijven, die activiteit hebben vertalers gemeen met een andere categorie auteurs die de schrijfkunst beoefenen: schrijvers. Desalniettemin kom je veelvuldig, ook bij schrijvers, dat wil zeggen bij kenners van de literatuur, bij beroepslezers, de gemakzuchtigste gemeenplaatsen over het vertalen tegen – doorgaans weinig doeltreffende schaamlapjes voor wat niet anders dan structurele minachting kan heten.

> Lees verder

‘Frag’ nicht…’

In Übersetzerhaus Looren bracht ik dit jaar een nijvere junimaand door met werken aan vertalingen van Roorda en Johannin. Intussen verscheen mijn discrete debuut in de Duits-Zwitserse letteren: Nöis für öis, het sufferdje van Wernetshausen – het dorp in het Zürcher Oberland waar het vertalershuis is gevestigd – publiceerde bijgaand stukje – over het volkslied van een liefde en de dood van een tenor.

 

> Lees verder

Over de eerste zin uit ‘De grote angst in de bergen’ van Charles-Ferdinand Ramuz

‘Le Président parlait toujours. La séance du Conseil général, qui avait commencé à sept heures, durait encore à dix heures du soir.’

Het onnozelste eerste zinnetje kan de vertaler die zijn moed bijeen heeft geraapt meteen perplex doen staan.

De lezer van de openingspagina van Ramuz’ roman De grote angst in de bergen, oorspronkelijk gepubliceerd in 1926 als La Grande Peur dans la montagne, wordt geteleporteerd naar een klein bergdorp in het kanton Wallis, ergens eind 19e of begin 20e eeuw, midden in een zich voortslepende vergadering van de dorpsraad – het orgaan voor gemeentelijk zelfbestuur waarin alle volwassen mannelijke dorpsbewoners inspraak hebben, oftewel het hoogste lokale besluitvormingsorgaan, conform de lange basisdemocratische traditie die Zwitserland rijk is.

> Lees verder

Een piramide van verloren tijd

Verschenen in het Vlaamse cultuurmagazine Rekto:Verso: een dossier over Onze tijd. Redacteur Wannes Gyselinck interviewde Rokus Hofstede over (het vertalen van) Proust. We nemen het interview over met toestemming van de auteur.


Door Wannes Gyselinck

Geen kunstenaars die meer over tijd en tijden moeten reflecteren dan vertalers van literaire klassiekers. Zeker vertalers van Proust. Rokus Hofstede haalde – taalde – diens verloren tijd terug naar vandaag. ‘We zijn maar twee jaar over tijd gegaan.’

Tijd is het alfa en omega van Prousts Op zoek naar de verloren tijd.

> Lees verder

Esperanto van de liefde. Meisjesherinneringen van Annie Ernaux

9200000071824816Iedereen kent een eerste keer. We zijn allemaal ooit ontmaagd. Elk van ons heeft op enig moment zijn fantasieën bij het grof vuil gezet, bressen in haar dromen geschoten zien worden. Maar het vergt een Annie Ernaux om daar zo’n mooi boek over te schrijven.

Meisjesherinneringen (in 2015 in Frankrijk verschenen als Mémoire de fille) is een verhaal van zure druiven, of misschien juister gezegd van druiven die heel traag rijp zijn geworden. De vertelster doet het relaas van haar verblijf als achttienjarige jeugdleidster in een Normandische vakantiekolonie eind jaren 50, een verblijf dat uitmondt in een hardhandige inwijding in de liefde door de hoofdjeugdleider – ontwijding van de liefde zou een betere formulering zijn.

> Lees verder