Pierre Michon, ‘Koningslichamen’ (fragment)

Het jaar 1961. Herfst vermoedelijk of begin winter. Samuel Beckett zit. Al tien jaar is hij koning – iets minder of iets meer dan tien jaar: acht jaar sinds de première van Godot, elf jaar sinds de samengebalde publicatie van de grote romans door Jérôme Lindon. Er bestaat in Frankrijk niets wat hem het hoofd kan bieden of hem die troon waarop hij zit kan betwisten. De koning heeft, zoals we weten, twee lichamen: een eeuwig, dynastiek lichaam, dat door de tekst tot de troon wordt verheven en gewijd, en dat men naar willekeur Shakespeare, Joyce, Beckett noemt, of Bruno, Dante, Vico, Joyce, Beckett, maar dat hetzelfde onsterfelijke lichaam is, gekleed in provisorische omhulsels; en hij heeft een ander, sterfelijk lichaam, dat functioneel en relatief is, het stoffelijk omhulsel, dat naar de wormen gaat, dat Dante en enkel Dante heet en boven een stompe neus een klein mutsje draagt, enkel Joyce en dan heeft hij beringde vingers en bijziende, onthutste ogen, enkel Shakespeare en dan is het een brave dikke rentenier met elizabethaanse plooikraag.… > Lees verder

Beckett en de 21e eeuw

Als het vuur van de schrijversroem niet regelmatig met nieuw papier wordt gevoed, vervalt het al snel tot as. Weinig schrijvers is een roem beschoren die hun dood overleeft; elk artistiek oeuvre dat is afgesloten treedt een nieuwe fase in, die van het ‘nachleben’, waarin het zich op eigen kracht moet bewijzen in een vaak veranderend literair klimaat. Samuel Beckett (1906-1989) kende wereldfaam met het toneelstuk Wachten op Godot, waarvan de première plaatsvond in 1953; de hem in 1969 toegekende Nobelprijs voor literatuur bevestigde die faam.… > Lees verder