Caroline Lamarche, ‘De dood, het leven’ (fragment)

Ik, Bloem, kunstminnaar in mijn vrije uurtjes, heb in Kuregem niet één monument aangetroffen, behalve dan de krachtige standbeelden die de Slachthuizen bewaken: twee onstuimige stieren, die beter op hun plaats zouden zijn bij de ingang van een arena. Ze zien eruit alsof ze ten strijde willen trekken tegen het kwaad. Maar de strijd is ongelijk in Kuregem. Dat geldt voor het abattoir en misschien ook voor de straat. Hoe dan ook, het zou een mooie zin zijn om op de muur te schrijven: ‘De strijd is ongelijk’, en daartegenover, als antwoord: The sky is the limit, ‘De hemel is de grens’, juist omdat de hemel onbegrensd is.

> Lees verder

Jean-Pierre Verheggen, ‘Waar is de schone Rosine?’ (fragment)

Het is bijna kwart over acht. Schielijk maken we een omtrekkende beweging langs het voorplein van het Museum voor Natuurwetenschappen, en terwijl we welwillend worden gadegeslagen door de houten iguanodon die boven het plein uittorent, bereiken we tersluiks een discreet bijgebouwtje dat dienstdoet als rommelhok, waarvan de deur dadelijk wijkt, en dringen we via een gewelfde gang binnen in de statige zalen, die sluimeren in het donker .

‘Ik heb zo m’n relaties’, vertrouwt hij me toe. Meer zal ik er niet over te weten komen.

> Lees verder

Een vreemde waaiing

De huidige wederopleving van Brussel doet denken aan de hoogtijdagen rond 1900. Nergens werd die belle époque zo fraai beschreven als in Herman Teirlincks grotestadsroman Het ivoren aapje. Rokus Hofstede duikt met de twee hoofdpersonen van het boek onder in de Brusselse nieuwjaarsnacht.

Op nieuwjaarsavond – het is iets na tienen – brengt Ernest Verlat, telg van een Frans-Brusselse magistratenfamilie, een bezoek aan Rupert Sörge, een jonge Hongaarse aristocraat, die Wenen en Nice achter zich heeft en nu het mondaine Brussel als jachtterrein verkiest.

> Lees verder

De Meester van Etterbeek

‘Chocolocola, ça c’est du bon tabac’, mompelde de Meester, en liet de sigaar van zijn linker naar zijn rechter mondhoek rollen. De bolknak hing schuin naar beneden en schommelde vervaarlijk heen en weer, alsof de Meester er de stukken mee wilde aanwijzen en alvast zijn strategie uitstippelde. Goddank was hij vergeten het ding aan te steken. Sigarenrook heb ik nooit kunnen verdragen.

De Meester schoof mijn biljet van vijftig frank half onder het bord, naast het zijne, en tuurde me een poosje aan vanachter het bolwerk van zijn buik.

> Lees verder