‘Heimwee naar de hel’: het beteugelde geweld van Cioran

Oxymorons

Het beeld dat uit Ciorans persoonlijke geschiedenis oprijst, zoveel is en passant wel duidelijk geworden, is dat van een extreme verscheurdheid. Cioran was in dubbel opzicht een balling: een balling van zijn land en taal, maar ook een balling van zijn verleden. Tot op zekere hoogte kan zijn hele naoorlogse werk worden begrepen als een uitentreuren herhaalde poging om die verscheurdheid onder woorden te brengen. Het kosmische ressentiment dat uit zijn werk spreekt, zijn haat tegen de tijd, doen zich dan voor als een verhulde uiting van de breuk die zijn eigen leven in de tijd kenmerkte. ‘Alle emigranten liegen zichzelf voor – ze moeten wel, om die levensconditie te verdragen.’

Men moet zich voorstellen welke ongehoorde inspanning deze berooide, onbekende en onbeminde emigrant moet hebben geleverd om zich in het naoorlogse Frankrijk, op zesendertigjarige leeftijd, een nieuwe taal aan te meten en die zodanig te leren beheersen dat hij er de reputatie van een ‘La Rochefoucauld van de twintigste eeuw’ mee verwierf. In een zeer onthullend geschrift, getiteld Lettre à un ami lointain (1957), geeft hij een idee van de ‘lijdensweg’, de ‘verschrikkelijke inspanning’ die het leren van die ‘onderwijzerstaal’ hem koste:

‘Wat een hoeveelheid koffie, sigaretten en woordenboeken moest ik consumeren om een ook maar enigszins correcte zin te kunnen schrijven in die voor mij ontoegankelijke, al te edele en voorname taal’. [De] barbaar [die zich in Frankrijk] aan stijloefeningen kwam wijden, geneest al doende van zijn verleden, leert de obscure driften waaraan hij gehecht was op te offeren, vereenvoudigt zichzelf, wordt een ander, neemt afstand van zijn buitenissigheden, overwint zijn voormalige verwarringen, conformeert zich allengs aan de rede en het gezond verstand.’

Zo wordt voor de Franstalige Cioran stijl ‘een masker en tegelijk een bekentenis’; het Frans blijkt een uitstekend idioom om op ‘delicate wijze dubbelzinnige sentimenten uit te drukken.’ Het fungeert als tegengif voor de uitspattingen uit zijn jeugd, uit die ‘prehistorische tijd’ waarin hij schreef als een ‘jonge losbol’ die ijverde voor het nationale heil van zijn vaderland. Franse esprit neemt de plaats in van Roemeense ziel, en dit ‘loochenen van zijn bronnen’ bezegelt de ‘verdoemenis’ van deze ‘renegaat van zijn eigen verleden’.

Van de eerste vurige schotschriften tot de laatste ontgoochelde aforismen veranderen de thema’s die zijn werk domineren niet wezenlijk: cultus van het irrationele, hang naar mystiek, vitalisme, nihilisme, vervloeking van de geschiedenis, weerzin tegen het vulgaire, geopolitieke obsessie met de opkomst en ondergang van ‘volkeren’ en ‘beschavingen’, met hun roeping van verovering en triomf. Het enige wat met de overgang naar het Frans verandert, schrijft hij in Lettre à un ami lointain’, is ‘de toon’. Terwijl zijn jeugdwerk ronkt van pathos, dankt zijn latere werk zijn roem juist aan de bondigheid en de scherpte van de formulering – ironie en zwarte humor, de vermenging van klassieke welbespraaktheid en argot, het vernuftige hanteren van elliptische vormen, overdrijvingen en paradoxen. Criticus Arnold Heumakers heeft de functie van de stijl in het (latere) werk van Cioran op treffende wijze onder woorden gebracht:[1. Arnold Heumakers, ‘Belasteraar van het universum’, De Volkskrant, 24-12-1993.]

‘Ciorans œuvre heeft iets van een doos van Pandora: zodra je het openslaat, komt je een troebele walm vol onrust en dreigend geweld tegemoet. […] Maar alles is opgeschreven in een glasheldere stijl, die met de dampende inhoud in volstrekte tegenspraak lijkt te zijn. De stijl houdt als het ware de inhoud in bedwang, de esthetiek beteugelt het geweld en maakt het uitzichtloze pessimisme – althans op papier – leefbaar.’

De paradox houdt bij Cioran niet op bij tegenstrijdige filosofische standpunten. De paradox vormt ook het stramien waarop zijn eigenlijke schrijven geborduurd is, de dieptestructuur van zijn stijl. Steeds weer stuit je in zijn teksten op onoplosbare tegenstellingen en antitheses, die zijn proza opladen met een enorme spanning. Je vindt ze terug in de beruchte one-liners, waarin de contrasten zo groot zijn dat ze de adem benemen: ‘Ik ben een holemens die verstrikt raakt in kantwerk.’ ‘Een barbaar te zijn en in een kas te leven!’ Nog pregnanter komt die dieptestructuur tot uiting in de stijlfiguur van het oxymoron, dat heel zijn proza scandeert. Als je er eenmaal op let zie je de oxymorons overal terugkeren: de aanvankelijk als tegenstrijdig gevoelde woorden of zinsdelen botsen op elkaar en produceren bij de lezer voortdurend grotere of kleinere schokken. Cioran is de ‘woedende wijze’, de ‘aggressieve piekeraar’, de ‘roerloze avonturier’, die ‘heldhaftig verraad pleegt’, ‘nieuwsgierig [is] naar een afzienbaar einde’, ‘uitziet naar wat hem vermorzelt’ en ‘heimwee [heeft] naar de hel’. Als Ciorans naoorlogse stijl inderdaad wordt gekenmerkt door de beteugeling van zijn jeugdig pathos, dan is het oxymoron de obsessieve, steeds herhaalde uitdrukking van de breuk die door zijn innerlijke en uiterlijke ballingschap is teweeggebracht.

In het vooroorlogse en het naoorlogse werk keren zoals gezegd regelmatig dezelfde beelden en denkbeelden terug, maar uitgezeefd door het mechaniek van de stijl. De gewelddadigheid, de exuberantie, het lyrisme van de jonge Cioran worden in zijn latere aforismen gecondenseerd en geconcentreerd tot ‘gefluisterde vervloekingen’, om een genre te vormen dat hijzelf, in een karakteristieke paradox, heeft betiteld als het ‘pamflet zonder onderwerp’. Het aforisme is bij uitstek geschikt om zijn neiging tot breedspakigheid in te tomen en zo de tegenstrijdige krachten die in hem woelen simultaan ten tonele te voeren: de instinctieve, romantische, jeugdige krachten van opstandigheid en vernietigingsdrang, en de ontnuchterde, rijpere krachten van ontgoocheling en chagrijn.

Stijl is kortom bij Cioran meer dan zomaar een versiering, een handig en kundig gebruik van stilistische middelen. Cioran zelf gebruikt beelden als ‘keurslijf’ of ‘dwangbuis’ om de zelftucht te omschrijven die zijn stijl vereist, de breidel waarin hij de opstandige inhoud van zijn denken moet zien te persen. Onwillekeurig roepen zulke beelden reminiscenties op aan de Freudiaanse metafoor van de stoommachine: stijl als kanalisering en regulering van een oorspronkelijke schrijfdrift. Maar die inwendige Kessel brodelnder Erregungen, waar Freud het over had, laat zich nooit volledig beheersen. Voor Freud bestond verdringing uit de ontkenning van wat verdrongen wordt, en gaat het verdringingsproces gepaard met de impliciete erkenning van de pijnlijke realiteit die men niet verdragen kan. In de latere geschriften van Cioran (die zelf overigens nooit iets van psychoanalyse moest hebben!) zie je dan ook een permanent conflict tussen schrijfstijl en schrijfwoede, tussen de dwangen en beperkingen van de syntaxis en het geweld van de onderliggende drijfveren en impulsen.

Al heeft Cioran zijn jeugdwerk meermalen afgedaan als ‘pretentieuze onzin’, toch ligt in die eerste essayistische en filosofische oprispingen de sleutel tot begrip van de stilistische verworvenheden van de rijpere auteur. De zo geroemde stilistische zuiverheid van zijn stijl is het resultaat van de fenomenale inspanning tot zuivering van het eigen denken die door deze fascistoïde nationalist moest worden opgebracht om, in het naoorlogse Parijs, te ontkomen aan een eerloos, anoniem emigrantenbestaan. En je kunt je afvragen of de buitenissigheid, het isolement en het dédain voor roem en erkenning die Cioran tot laat in zijn leven eigen waren, voor hem niet ook een manier vormden om de verscheurdheid waarin zijn schrijven wortelde en die zijn voornaamste inspiratiebron was, in stand te houden – wanneer hij zich, tijdens de laatste tien jaar van zijn leven, overgeeft aan de geneugten van de roem, blijkt ook de bron op te drogen waaruit zijn scheppingsdrang zo lang heeft geput.

Deze poging om het fundament van Ciorans stijl te leggen in de beteugeling van de primaire impulsen die hun beslissende vorm hadden aangenomen in de jaren dertig, de periode dat zijn wereldbeeld gestalte kreeg, impliceert een waardeoordeel: de sublimering van het geweld slaagt alleen wanneer de oorspronkelijke breedsprakigheid effectief wordt getemd door de discipline van de stijl, wanneer de Roemeense ziel daadwerkelijk wordt verhuld door de sluier van de Franse esprit. Je ziet bij Cioran echter steeds hoe het pathos van het geweld de ketenen van de taal wil afwerpen, hoe de versleten rancunes en razernijen die zijn schrijven voeden opnieuw tot eruptie komen. Door zijn ressentiment in te tomen met behulp van de klassieke bondigheid van achttiende-eeuwse Franse moralisten en memoirenschrijvers kon Cioran zijn troebele drijfveren een vertrouwd aanzien geven en wist hij een publiek van estheten aan zich te binden. Maar misschien is het geen toeval dat zijn postume bestaan als schrijver, in zijn geboorteland, gepaard gaat met vertalingen van zijn Franse proza en heruitgaven van zijn Roemeense teksten, ditmaal bedoeld voor een publiek dat waarschijnlijk niet zozeer wordt gedreven door liefde voor stijl als wel door nostalgie naar de hoogtijdagen van het nationalisme.

[Krisis, tijdschrift voor filosofie, 66 (lente 1997). Een eerdere versie van dit stuk verscheen in Liber, Revue internationale des livres, no 28 (septembre 1996), onder de titel ‘La violence bridée de Cioran’, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email