Pierre Michon, ‘La Grande Beune’, slot

Op een avond hing er precies zo’n dichte, onbeweeglijke en haast warme mist als op de avond van mijn aankomst. Ik zat net aan mijn charcuterie toen Jean de Visser binnenkwam met twee kornuiten; hun oliepakken waren dof alsof iemand ertegenaan had staan blazen. De magische buidels op hun buik zaten barstensvol. Al in de deuropening straalde Jean, hij grinnikte in zichzelf, hield zijn mimiek strak in bedwang en wendde iets van traagheid voor, maar daaronder danste zijn haast. De drinkers zeiden geen woord meer, ook zij grinnikten, ze bruisten van ongeduld terwijl ze traag hun glas neerzetten; ze speelden het spelletje mee. Aan de tapkast maakte Jean langzaam de banden van de magische buidel los en met het zelfverzekerde maar enigszins provocerende gebaar van iemand die een gebod overtreedt en door die schending in een roes raakt, haalde hij er met zijn volle hand een paar karpers uit en hield ze goed zichtbaar omhoog, als een Arawak of een Mohegan die triomfantelijk de grote Steur, die alleen in dromen verschijnt, aan zijn kieuwen heen en weer zwaait. Het was niet de gewone soort, ook niet de spiegelkarper met zijn grote, onregelmatig verspreide schubben, maar de lederkarper, die geen schubben heeft en glad is als de stroom, gewaterd en helemaal naakt. De vissen glansden en flikkerden in het zwakke licht, tegen het antieke rood. Een voor een vielen ze met een dof geluid op de tapkast. De kornuiten hadden er ook maar haalden ze minder ostentatief te voorschijn, enkel en alleen om te laten zien dat ze het gezag van de kampioen waardig waren, zoals het vazallen betaamt. In Jeans ogen brandde nog een sluw vlammetje, hij blonk zijn tanden bloot, het was nog niet afgelopen; slinks vroeg hij of ze konden raden wáár hij dat gevangen had. Sommigen noemden meteen het stuwbekken in de kleine Beune bij Saint-Amand, waar de lederkarpers en de andere ver van de woeste stromen indommelen, onzichtbaar schitteren in het donkerste, traagste water, zich volzuigen met modder en daarmee het zachte, onvoelbare vlees maken dat je tong amper raakt. Maar dat was het niet. Daar was het niet, en al evenmin stroomafwaarts, in de rustige watervlakten van de Dordogne. Jean keek een ogenblik naar de karpers en draaide toen zijn hoofd met een ruk naar ons toe: ‘Ik heb ze daar beneden gevangen. Ze komen de Beune afzakken.’ Door het riet schuivende krokodillen bij Chez-Quéret zouden niet méér verbazing hebben gewekt. Het was als een wonder van weleer. Grondels regenen neer, steuren schieten kuit in de Vézère; koninginnen die karpers zijn vanaf de navel omlaag, worden in bad verrast door een vlammende man, ze slaan wild met hun staart en laten het water van hun tobbe opspatten tot het plafond. Krijsend vliegen ze weg onder het mes van de maan. Hélène pakte ze peinzend op en ging ze schoonmaken in de gootsteen. Ze liet water stromen. Ze dacht na en ook Jean deed dat, ze keken naar al dat roze dat in vissen zit als je ze opensnijdt. Daar beneden kwamen verbijsterde karpers de stroom afzakken, ze konden er geen grip op krijgen, werden heen en weer geslingerd, haalden hun witte leder open aan stenen, tot Jean de Visser ze ten slotte in één ruk de mist in tilde, als wijnzakken zwollen ze op en barstten, de bek begerig gesperd. Veerlui die aan wal tussen het riet hurkten, zagen het wit langdurig springen in het gras en doodgaan. Ze ontblootten blanke tanden. Hélène schonk wat uit een fles in de gootsteen en de snijdende geur van bleekwater steeg op, sterker dan de fusten en de peuken. Elders sleep Jeanjean het niets, andere karpers sidderden onder zijn handen, hij liet water over ze vloeien, bracht ze eindeloos weer tot leven in dat schuim, hield ze naar adem happend erboven aan hun kieuwen, dompelde ze weer onder; Yvonne zong in dat bad met gesperde mond een schril lied, ging eindeloos dood en zei dat. Jean de Visser dronk een glas rum, hij knikkebolde, de nacht was sterker. De oliepakken gingen naar buiten, waar de mist meteen tegen ze aan blies. Hélènes handen roken in haar schort naar vis, ze keek naar haar zoon, die wist hoe je ze vangen moest: wanneer je de grote Steur hebt gezien, weet je waar de andere zijn, hij heeft het je in een droom verteld. Ginds sperde Bernard zijn ogen naar de lichtere mist in zijn pikdonkere kamer. En uiteindelijk sliepen we allemaal, de Beune stroomde verder.

Hier een analyse van dit fragment.

[De revisor 27:6 (december 2000), vertaling © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email