Lof der ironie

Toen Milan Kundera in 1967 De grap publiceerde, was hij bijna veertig jaar oud. Alles wat aan die eerste roman voorafging beschouwt hij als onrijp jeugdwerk dat alleen interessant is voor literatuurwetenschappers, biografen en andere voyeurs die de ontstaansgeschiedenis belangrijker vinden dan het kunstwerk zelf, maar op die regel is één uitzondering: de verhalen van Lachwekkende liefdes, waarvan het merendeel eerder werd geschreven dan De grap, ook al verscheen de bundel een jaar later en is het dus strikt genomen Kundera’s tweede boek.

Met Lachwekkende liefdes vond Kundera zijn stijl. Natuurlijk kunnen er in zijn oeuvre zoals dat nu voor ons ligt verschillende fases en ontwikkelingen worden onderscheiden, maar de constanten zijn nog veel duidelijker. Het hele oeuvre is gebaseerd op een paar uitgangspunten waarvan de schrijver nooit zal afwijken, en die voor het eerst aan het licht treden in de verhalen die later zijn gebundeld tot Lachwekkende liefdes. Eerste, belangrijkste uitgangspunt: voor Kundera is de roman (en wat is een verhaal anders dan een korte roman) niet het vuilnisvat van de literatuur, het enige literaire genre waarvoor geen regels gelden, maar een autonome kunstvorm die iets te bieden heeft wat nergens anders kan worden gevonden, niet in de literatuur en niet erbuiten. De roman verwoordt namelijk een specifiek soort kennis, niet psychologisch en niet sociologisch maar existentieel: hij onderzoekt de manier waarop concrete individuen zich tot elkaar en tot de wereld verhouden. Centraal in die opvatting staat uiteraard het personage, dat bij Kundera altijd een bepaalde existentiële mogelijkheid vertegenwoordigt, een manier om in de wereld te staan – waarvan de roman de consequenties tot op het bot ontleedt.

Die ontleding heeft vaak de vorm van een tragikomische ontluistering. Neem het jonge stelletje in het derde verhaal van de bundel, ‘Liftertje spelen’. Net als Tereza in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan ontleent het meisje haar identiteit aan de spanning tussen lichaam en ziel, seks en liefde. Ze wil die tegendelen van elkaar scheiden, maar kan dat niet en is daardoor preuts, timide, monogaam en jaloers: precies de reden waarom haar vriend haar prefereert boven alle flirtende, vlinderende vrouwen die het onderscheid wel kunnen maken. Maar dan dwingt een schijnbaar onschuldig spelletje de twee in een omgekeerde rol, ineens kan het meisje haar lichaam en haar ziel wel van elkaar scheiden, en ineens houdt haar vriend niet meer van haar maar ziet hij haar als een hoer, een vrouw voor wie liefde en seks niets met elkaar te maken hebben. En nadat ze als een hoer is genomen en daarbij meer genot heeft gevoeld dan ooit tevoren, weet ze niet meer hoe ze weer zichzelf kan worden: ‘Ik ben ik, ik ben ik…’ Waarna de verteller gniffelend besluit: ‘Ze hadden nog dertien dagen vakantie voor zich.’ – Een typische Kunderaconclusie, waarin de twee jongelui worden geconfronteerd met het ontgoochelende principe bij uitstek: de tijd. De roman is de kunstvorm van de tijd, dat wil zeggen van de gemiste kansen, de verstoorde illusies en het tekortschietende geheugen, maar daarmee ook van de wijsheid die daaruit kan worden geput, de wijsheid van de romancier die het allemaal ziet gebeuren.

Tweede uitgangspunt van Kundera’s romankunst: de strenge compositie. Als de roman de kunstvorm van de tijd is, mag de romancier zijn personages niet zomaar ‘als een troep ganzen voor zich uit drijven over een heideveld van een willekeurig aantal bladzijden of hoofdstukken’, zoals Raymond Queneau de alledaagse romanpraktijk treffend omschrijft. Om de kennis die in de roman besloten ligt maximaal tot zijn recht te laten komen, moet de romancier de tijd organiseren, zijn personages in strakke banen leiden, en die kunst beheerst Kundera als geen ander. Als een componist orkestreert hij de verschillende stemmen door in korte, genummerde hoofdstukjes telkens een ander perspectief te kiezen en op die manier naar het finale inzicht toe te werken: de techniek van de verhalen uit Lachwekkende liefdes (met uitzondering van ‘De gouden appel van het eeuwige verlangen’ en met name ‘Symposium’) is al dezelfde als die van de grote romans waarmee Kundera beroemd is geworden. In het afsluitende verhaal, ‘Eduard en God’, duikt bovendien nog een extra stem op, die de latere romans aankondigt: de afstand scheppende stem van de verteller, de plaatsvervanger van de schrijver binnen de tekst, die de werkelijkheidsillusie doorbreekt en duidelijk maakt dat de vertelling niets meer of minder dan een gedachte-experiment is en de personages geen ‘mensen van vlees en bloed’, zoals het cliché luidt, maar in de verbeelding gerealiseerde mogelijkheden – waarvan Kundera later, in navolging van André Gide, zal zeggen dat ze allemaal potentieel in zijn eigen persoonlijkheid aanwezig zijn. Ze zijn hem allemaal even dierbaar.

Ook in andere opzichten zetten de verhalen van Lachwekkende liefdes de toon voor Kundera’s latere werk, wat overigens niet wil zeggen dat ze geen autonome waarde zouden bezitten: het zijn teksten van een rijpe schrijver die weet wat hij wil. Veel thema’s zullen terugkomen, en ook de manier waarop dat gebeurt zal vrij constant blijven. Weliswaar ligt er stilistisch een wereld van verschil tussen een verhaal als ‘Liftertje spelen’ en een late roman als Identiteit, maar in beide zien we een schrijver aan het werk die zijn materiaal met een bijna achttiende-eeuws aandoende combinatie van ernst en lichtheid benadert. Zowel in het verhaal als in de roman is sprake van een vrouwelijk personage dat de grenzen van haar persoonlijkheid overschrijdt en tot haar ontzetting als het ware iemand anders wordt (namelijk een vrouw die openstaat voor avontuur, voor de roep van de wereld). En in beide gevallen wordt dat identiteitsverlies ondanks de ernst van de zaak gebracht als een hoofdzakelijk komisch gegeven, want sinds de dood van God bestaat er geen tragedie meer, als we dokter Havel in ‘Het symposium’ mogen geloven.

Dat is ironie voor Milan Kundera: een serieuze manier om de wereld niet serieus te nemen. De roman is de plaats waar die ironische levenshouding tot volle bloei komt.

[Nawoord bij Milan Kundera, Lachwekkende liefdes, vertaling Jana Beranová. Ambo, juni 2004, © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email