Verstandig is de man die zegt: ‘Ik ben begenadigd’

Charles Baudelaire (1821-1867) was een jonge letterkundige toen hij zijn Wenken voor jonge letterkundigen schreef. De tekst verscheen in L’Esprit public op 15 april 1846, een paar dagen nadat hij vijfentwintig was geworden. Enkele van zijn bekendste gedichten had hij op dat moment al geschreven – ‘L’Albatros’, ‘À une dame créole’, ‘Une Charogne’, ‘Le Crépuscule du matin’, ‘Le Vin de l’assassin’ en ‘Les Yeux de Berthe’ -, maar er was nog nauwelijks iets van gepubliceerd onder eigen naam. Les Fleurs du mal, de poëziebundel waarin, zoals wij tegenwoordig zeggen, de hele moderne West-Europese poëzie wordt aangekondigd, van symbolisme tot surrealisme, zou pas ruim tien jaar later verschijnen. Zijn bestaansrecht als letterkundige had Baudelaire in 1846 nog allerminst afgedwongen – hij begon aan de weg te timmeren.

De jaren rond 1845 zijn de jaren van Baudelaires entree in de literatuur. Hij spreidt een jachtige scheppingsdrang tentoon, publiceert kunstkritieken (De Salon van 1845 en De Salon van 1846), een kort verhaal (‘La Fanfarlo’) en uiteenlopende stukken, vooral in het satirische genre. Wenken voor jonge letterkundigen behoort tot dit mengelwerk. In het licht van de latere poëzie is het een niemendalletje, uit de losse pols geschreven. Van die losse pols getuigen enkele passages waarin de auteur zich haast in zijn eigen metaforen verslikt, bijvoorbeeld over de rekenkunde van sympathie en antipathie (ik heb niet gepoogd de raadselachtigheid van die passages weg te nemen).

Toch is dit lichtvoetige vademecum voor jonge schrijvers meer dan een curiosum. Wenken voor jonge letterkundigen is heel wel te beschouwen als een zelfportret van de auteur, zij het hier en daar sterk geïdealiseerd. Zo verfoeide Baudelaire volgens zijn biografen dagelijkse arbeid, wat hem niet belet op dat vlak tamelijk paternalistisch aandoende adviezen te geven. Opmerkelijk is ook hoe hij in zijn Wenken (net als in De Salon van 1846, die een maand later verscheen) de bijval van de ‘bourgeois’ aanroept, terwijl hij in zijn eigen leven de burgerlijke conventies demonstratief naast zich neerlegde. Zuiver biografisch te duiden motieven zijn het krijgshaftig vertoon van polemische intenties (‘afkraken’ was een Baudelaireaanse specialiteit), de misogynie (Baudelaire gruwde van vrouwelijke auteurs en had al diverse malen zijn pen geleend tot smaadschriftjes op dat thema), en een opvallende preoccupatie met geld, die hij zijn leven lang zou behouden – daaraan was ongetwijfeld de vernedering niet vreemd die hem in 1844 door zijn familie was aangedaan, toen hij onder curatele werd gesteld vanwege de manier waarop hij zijn erfenis erdoorheen joeg en schulden maakte.

Maar omdat Baudelaire als een van de eersten het moderne schrijverschap belichaamde, zijn zijn Wenken ook in dat opzicht veelzeggend. Hij schreef zijn tekst in een tijd waarin de Franse literaire wereld werd beheerst door het spanningsveld tussen ‘burgerlijke kunst’ en ‘nuttige kunst’, met aan de ene kant toneelschrijvers die hun werk afstemden op de smaak van het burgerlijke publiek, en aan de andere kant bohémiens die een ‘realistische’, socialistisch getinte, moraliserende literatuur voorstonden. Baudelaire was een van de literatoren die gestalte zou geven aan een nieuw literair ideaal, de ‘zuivere kunst’, gekenmerkt door estheticisme en een afkeer van moralisme. Théophile Gautier gaf dat ideaal een poëticale onderbouwing met zijn befaamde l’art pour l’art-theorie, waarin de sculpturale perfectie van de vorm als hoogste doel werd omhelsd.

In Wenken voor jonge letterkundigen zijn we getuige van de wording van de zuivere kunstenaar, het mythische personage dat door de zuivere kunst wordt voorondersteld: een heroïsche eenling, een ‘vrije, trotse ziel’ die aan geen andere meester horig is dan aan zijn roeping. Op de achtergrond zien we zich het milieu ontwikkelen waarin een dergelijk schrijverschap tot ontplooiing kan komen: een aparte literaire bedrijfstak, met zijn beroepsperspectieven en zijn concurrentiestrijd, zijn dagelijkse arbeid en zijn zondagsrust, zijn late rentes en zijn Wenken voor het literaire reserveleger van jonge schrijvers. De hele tekst beweegt zich zo tussen de polen van zuiverheid en baatzucht, van roeping en beroep. Aan de ene kant eist literatuur offervaardigheid, versterving, de bereidheid je ‘uit de naad te werken voor een schijntje’, je leven ‘resoluut in het teken van het te scheppen werk te stellen’, aan de andere kant roept literatuur wereldse begeerten naar roem en erkenning in het leven die conformisme kunnen oproepen en het vleien van de smaak van het publiek in de hand kunnen werken (‘Je mag de bourgeois niet meer vervloeken, want de bourgeois zal achter je staan’). Bij Baudelaire krijgen die begeerten een nadrukkelijk financiële draai, en waar hij spreekt van honneurs, mogen we, behalve aan eer, zeker ook aan honoraria denken – juister gezegd, ‘verdiensten’.

Sinds Baudelaire vormen zuiverheid en baatzucht de polen waar elke zichzelf respecterende schrijver de aantrekking van ondergaat. Nog altijd is zuiverheid een waarde waaraan ook de baatzuchtigste schrijvers op zijn minst lippendienst moeten bewijzen. Baudelaire had gelijk: ‘De weg naar de rijkdom is geplaveid met verheven gevoelens!’

De misschien wel nuttigste wenk die jonge schrijvers aan dit werkje kunnen ontlenen is alleen tussen de regels door te lezen. Met het aannemen van de toon van de gelouterde, zo niet gelauwerde auteur, geeft Baudelaire impliciet uitdrukking aan zijn eigen aanspraken op auteurschap. De tekst is tekenend voor zijn verlangen naar erkenning en onthult ook een bijpassende strategie – literair bestaansrecht wordt niet afgesmeekt, maar afgedwongen. Niet in de speelse, melige of nuchtere, soms gedateerd aandoende opmerkingen over schrijverschap en letterenbedrijf ligt de educatieve waarde van de Wenken voor jonge letterkundigen, maar in de hooghartige, zelfverzekerde attitude die de auteur als jonge letterkundige uitdraagt. Poneer jezelf, wees wie je wilt zijn en laat je schrijven daarvan getuigenis afleggen. ‘Verstandig is de man die zegt: “Ik ben begenadigd…”’

[nawoord bij Charles Baudelaire, Wenken voor jonge letterkundigen, vertaling Rokus Hofstede, Perlouses 5, Voetnoot 2004, © Rokus Hofstede.]

Print Friendly, PDF & Email