Cimbalen en symbolen

Normaal gesproken vind ik ritme veel belangrijker dan klank. Opzichtige alliteraties werken op mijn zenuwen, vooral als ze expres zijn aangebracht door vertalers die denken dat daarin de ware boodschap van de tekst schuilgaat, en die er niet voor terugdeinzen om voor één klein klankeffectje (dat geen ander doel dient dan zichzelf, en evengoed aan het toeval kan worden toegeschreven) alle andere elementen van de tekst geweld aan te doen. Het kind met het badwater weggooien, noemen wij dat.

Er zijn mensen die van het turven van klankherhalingen een dagtaak hebben gemaakt. Paul Claes bijvoorbeeld, die in de aantekeningen bij zijn Rimbaudvertalingen per gedicht een opsomming van de erin voorkomende klankeffecten geeft – alsof  we die door middel van een nieuw soort woordalchemie zouden kunnen samenvoegen met de vertaling om te kunnen ervaren wat de Franse lezer bij het oorspronkelijke gedicht ervaart. Maar kennelijk is dat turven op de universiteit een gewoonte, want mijn poëziedocente deed het ook. Ik zal trouwens nooit vergeten hoe zij hangend over haar lessenaar de panter probeerde uit te beelden die ze door een of andere beroemde versregel hoorde sluipen; niet makkelijk, als je zelf eerder op een grote grazer lijkt.

Nog tijdens mijn studie heb ik in mijn argwaan tegen zogeheten ‘expressieve’ klankeffecten trouwens steun gevonden bij de Amerikaanse literatuurwetenschapper Paul de Man, die expressiviteit of iconiciteit (de versmelting van vorm en inhoud, in dit geval van klank en betekenis) ergens omschrijft als een effect dat taal heel goed kan bewerkstelligen, maar dat (als ik het me goed herinner) van de arbitraire relatie tussen betekenaar en betekende nog altijd geen noodzakelijke relatie kan maken: het blijft retoriek en wordt nooit waarheid, hoe sterk de illusie ook is.

Maar onlangs heb ik dan toch eens mogen ervaren hoe het is om een mooie tekst te vertalen die voor een groot deel door klank wordt gedragen: La Sieste en Flandre hollandaise van Julien Gracq, een prozagedicht van amper 2000 woorden. Het is een erg moeilijke tekst, een van de moeilijkste die ik ooit heb vertaald; het vreemde was dat juist de alliteraties en assonanties in het Nederlands helemaal vanzelf leken te komen, onnadrukkelijk en zonder de kunstmatigheid die me altijd zo ergert. Vaak zag ik ze pas bij het teruglezen van de zin:

… uit de ongelijke kasseien van de wegen sijpelt sappig gras, en zelfs op de top van de dijken ligt een golvend, stil tapijt waarin het eenzame kielzog van een fietser zich weer sluit als het spoor van een vinger in een vacht.

Kennelijk bestaat er behalve een intuïtief gevoel voor zinsritme toch ook zoiets als een intuïtief gevoel voor klank. Dat is goed nieuws voor wie erover beschikt, want het betekent dat als je bij het lezen van een Franse tekst de klank als een dragend vormelement ervaart, die klank vanzelf wel ergens tevoorschijn komt sijpelen in je vertaling – behalve natuurlijk op plaatsen waar het echt één op één moet, zoals bij rijmende versregels of uitzonderlijk opvallende klankeffecten (Gracq heeft het bijvoorbeeld over routes vides qui s’étoilent et s’étiolent, daar heb ik erg lang over moeten nadenken voordat ik uitkwam op ‘vertakkend en verzwakkend’ – en dan nog). Maar klankherhalingen turven, dat lijkt me dus niet nodig.

Overigens laat dit zinnetje uit het manuscript van Hélène Rousselet me niet los, juist ook vanwege de klank: ‘… pour qu’ils sachent de quelle souche de pure paysannerie ils sont issus.’ Wie het weet, mag het zeggen.