Driehonderd jaar Diderot

Vandaag (5 oktober 2013) is het driehonderd jaar geleden dat Denis Diderot werd geboren. Speciaal voor de gelegenheid hebben we nu ook een dossier Diderot aangemaakt (zie hier rechts in de marge), en aan de eerdere ‘Zeven portretten van Denis Diderot’ willen we graag het onderstaande portret van de filosoof in zijn oude kamerjas toevoegen, afkomstig uit een privécollectie en pas in 2012 voor het eerst openbaar tentoongesteld. De schilder is onbekend.

‘Waarom heb ik haar niet gehouden? Ze was aan mij gewend, ik was aan haar gewend. Ze volgde alle plooien van mijn lichaam zonder het te hinderen. Ik was schilderachtig en mooi.

> Lees verder

Swanns kant: work in progress

Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging. Soms was mijn kaars nog maar net uit of mijn ogen vielen dicht, zo snel dat ik niet de tijd had om bij mezelf te zeggen: ‘Ik val in slaap.’ En een halfuur later werd ik wakker van de gedachte dat het tijd was om te gaan slapen, ik wilde het boek dat ik nog in mijn handen meende te hebben wegleggen en het licht uitblazen. In mijn slaap was ik blijven mijmeren over wat ik net had gelezen, maar die mijmeringen hadden een wat vreemde wending genomen, het leek of ik zelf datgene was waar het werk over ging: een kerk, een strijkkwartet, de rivaliteit tussen Frans I en Karel V.

> Lees verder

Marjan Hof (2002-2012)

Ons bereikte het bericht van het overlijden van Marjan Hof, een vertaalster van Franse literatuur die enige vermaardheid verwierf als redactrice van de stijlvolle Perlousesreeks van Uitgeverij Voetnoot, gevestigd in Ontwerpen. Binnen die reeks, waarin tussen 2003 en 2011 vierentwintig titels verschenen, vertaalde ze bij wijze van uitzondering ook zelf: een lang fragment uit Prousts À la recherche du temps perdu (het eerste hoofdstuk van Sodome et Gommorhe), getiteld Het vervloekte ras, is van haar hand. Verder tekende Marjan Hof in 2009 voor de Nederlandse vertaling van Contre Sainte-Beuve van Marcel Proust, in de Grote Bellettrie-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep.

> Lees verder

Émile Zola, Hoe men sterft, fragment

Januari is bar geweest. Geen werk, geen brood, geen vuur in de kachel. Het gezin Morisseau heeft kromgelegen van de armoe. Zij is wasvrouw, hij is metselaar. In de Rue Cardinet in Batignolles bewonen ze een zwarte gribus, een rotte plek in de wijk. Hun kamer op de vijfde verdieping is zo vervallen dat het binnenregent door de spleten in de zoldering. Toch zouden ze zich zonder morren schikken in hun lot, ware het niet dat hun kleine Charlot, een jongetje van tien, goed moet eten om een man te kunnen worden.

Het kind is zwak, om het minste moet hij het bed houden.

> Lees verder

Julio Cortázar, ‘De toespraken van de bekkenknijper’, fragment

We zijn geconditioneerder dan we denken

Kleine Hector leest een dikke alpinistenroman. Hij leest zo langzaam dat de huzarenstukjes van de grote kampioen Max Banotti uiteindelijk alle pit verliezen. Natuurlijk kan niemand zo lang blijven hangen aan de noordwand van de Annapurna alleen maar omdat kleine Hector niet bijster vlot leest. Wat een kluns zeg. Banotti constateert dat hij na vier repen chocola door zijn dagrantsoen heen is. Daarna komen de bevroren tenen, de Bijbel die hem gebloemleesd te binnen schiet, het ijlen, het jodelen. Dan is er de rotspunt die losschiet, woem, boem, de omelet met fijne dalkruiden, de helikopters.

> Lees verder