Théorème

Frans schilder. Trouw aan zijn hooghartige kunstopvatting verbood hij zichzelf te schilderen als hij niet door inspiratie werd gedreven. Doorgaans werkte hij aan het verrijken van zijn sensibiliteit in de cafés van Montmartre en aan het verfijnen van zijn kritische zin door zijn schilderende vrienden te observeren. Wanneer hem naar zijn eigen werk werd gevraagd, zei hij op zorgelijke toon: ‘Ik zoek mijzelf.’ In Montmartre genoot hij, met zijn grote klompen, zijn ruime fluwelen pantalon en zijn pet van konijnenbont, naast veel bekijks ook de reputatie een zeer knap kunstenaar te zijn. De kwaadwilligsten moesten erkennen dat hij een geweldig potentieel bezat.

Théorème leefde van een magere toelage van een oom uit Limoges, en soms van wat zijn maîtresse, Sabine, hem toestopte. Hij was van mening dat een kunstenaar geen onzinnige vooroordelen mag koesteren: ‘Om het werk van een Greco of een Velázquez te kunnen maken, heb ik niet het recht toe te geven aan scrupules.’ Nadat hij Sabine ervan had beschuldigd zijn grandioze maar breekbare oeuvre in de weg te staan door haar kleinburgerlijke verlangen naar huiselijk geluk – zij droomde ervan met Théorème een kruidenierszaak te openen – brak hij met haar. Sindsdien ontving hij, uit Engeland, maandelijkse cheques ten bedrage van twintigduizend Franse frank. Nu hij van materiële zorgen bevrijd was, maakte hij een periode van overgevoeligheid door die weinig bevorderlijk was voor de totstandkoming van scheppend werk. Hij gunde zichzelf een jaar van rust, dat hij voornamelijk in de bars van Montparnasse en de nachtclubs van de Champs-Élysées doorbracht, alvorens naar de cafés van Montmartre terug te keren. Zijn schildersvrienden zagen zijn nieuwe welstand met afgunst aan, schroomden niet ervan te profiteren, en zeiden vergenoegd dat hij voor de schilderkunst verloren was. De maandelijkse toelagen uit Engeland stopten echter abrupt. Théorème zonk weg in een diepe depressie. Hij had zichzelf wijsgemaakt dat zijn minnares de gave van de alomtegenwoordigheid bezat. Had zij niet tegelijkertijd vakantie gevierd met haar echtgenoot Antoine Lemurier aan een meertje in de Auvergne en met hem, Théorème, aan een Bretons strand? Was zij niet tegelijkertijd getrouwd geweest met Franse ambtenaar en met een Britse graaf? Berooid, en overtuigd van zijn eigen krankzinnigheid, ontvluchtte hij het gezelschap van lichtekooien en drinkebroers, bleef in zijn atelier in de rue du Chevalier-de-la-Barre, nabij het kerkhof van Montmartre, en na verloop van tijd begon hij als een bezetene te schilderen. Na zes maanden hartstochtelijke arbeid had hij zichzelf gevonden en schilderde hij alleen nog maar meesterwerken, vrijwel alle onsterfelijk. Hier dient onder meer het werk Vrouw met negen hoofden te worden genoemd, dat veel opzien baarde, en zijn ‘zo pure en toch zo onrustbarende’ Voltaire-Fauteuil. Kunstcritici zeiden zeer fijngevoelige dingen over de spiritualiteit van zijn doeken.

Op het hoogtepunt van zijn roem werd het zielloze lichaam van Théorème teruggevonden in de Seine, vastgesnoerd aan het lijk van een vrouw die sprekend leek op Sabine maar werd geïdentificeerd als Louise Mégnin, woonachtig in de krottenwijk Saint-Ouen. Louise Mégnin bleek overigens een dubbelgangster te zijn van Cunégonde, nicht van een baardig lid van de Académie française, die zelf weer een dubbelgangster was van zevenenzestigduizend andere vrouwen, verspreid over de hele wereld, die allemaal op diezelfde dag waren verscheiden.

  • Marcel Aymé, ‘Les Sabines’, in: Le passe-muraille, 1943

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email