Chloé Delaume, ‘Certainement pas’ (fragment)

Voor de zesde maal die dag kwam ‘Céline’ uit de radio gesijpeld, toen het door een nieuwsflits werd onderbroken: de Gouden Palm was zojuist toegekend aan Claude Lelouch, en dus hield Hugues Aufray zijn klep om plaats te maken voor de badabadaba’s van Nicole Croisille. Françoise Pithiviers zei bij zichzelf dat het afgelopen jaar toch echt een kutjaar was, waarop haar vliezen braken op de canapé.

Ze bracht meer dan elf uur in de verloskamer door, en kreeg eindelijk de gelegenheid de vloed verbaal vuilnis te lozen die binnen in haar in stroperige poelen lag te rotten. Terwijl het medische apparaat druk in de weer was met haar baarmoeder, wenste ze zichzelf zo innig dood dat haar leven aan haar voorbijtrok tussen twee schuttingwoorden. Haar mond sperde zich open om de schorre, zware, zure woordenvloed ruim baan te geven, haar lijf kromp ineen en verwrong zowat het staal van de verlostang, Françoise was met heel haar wezen logenstraffing. Ik zie het hoofd hoorde ze en ze steigerde nog heviger, trok kronkelend van krampen haar binnenste samen, niets liever wilde ze dan de half uitgelepelde boreling inwendig de strot dichtknijpen. Toen de finale uitkomst haar werd bevestigd, doorschokte een droge snik haar keel. Dat kreng van een moeder van haar had dan toch gewonnen. Moeders winnen meestal, moeders winnen altijd zodra hun kinderen zich voortplanten. Het is heel makkelijk je vader te doden, aangenomen vaders te onthoofden, geestelijke vaders de kop af te hakken, vermeende vaders te guillotineren: een zo alledaagse bezigheid dat de gezondheid er wel bij vaart, je hart een hakmes een heel leven lang. Moeders winnen meestal omdat ze nooit, nee, nooit helemaal doodgaan. Je doodt je moeder niet, je zegt niet eens dat je dat van plan bent, soms denk je er wel aan maar lafhartig stel je het uit wanneer je de omvang van de taak overziet. Het zou trouwens nergens toe dienen. Mensen die zich van de moederlijke kleefstof hebben ontlast, weten dat maar al te goed. Met het mes in de hand wroeten ze in het stoffelijk overschot, koortsachtig pogend om het spook dat er zich jaren, jaren na de teraardebestelling nog van losmaakt te verdelgen. En tegenover die zwarte jurk, bezoedeld met gewezen vlees en lusteloze maden, en tegenover dat rottende, begraven lijk gaan ze stuk voor stuk zichzelf te lijf met nagels woest in de huid geklauwd, hun nek blijft in de kluisters, de navelstreng waaraan ze zijn aangelijnd knaagt hun weefsels en al hun wilskracht aan. Moeders winnen meestal, ze zijn er voor altijd. Vier de begrafenis, waan jezelf vrij, morgen zullen hun matronestemmen vol wijze raad en leerzame spreuken het nijdige gezang van de genetische zombies je trommelvliezen in blazen. Het doet er niet toe dat er van hun schoot niets anders rest dan een gapend gat beenderen en bederf. De magneet en zijn twee polen, aantrekking afstoting, geen haat zonder spijt. Je zult zwichten voor het fantoom, een verstikkende moeder is een juk dat niet roest. Wij zijn allen joden, mama.

[Chloé Delaume, ‘Madame Leblanc’, (Fr.: Certainement pas, 2004), vertaling Rokus Hofstede, in: Deus Ex Machina, 2005:115]