Bruno Latour, ‘Oog in oog met Gaia’ (fragment)

[…] Zolang het modernisme zijn overwicht behield, waren de ‘mensen’ gelukkig dat ze leefden tussen aan de ene kant het ‘rijk van de noodzaak’ – de aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen – en aan de andere kant het ‘rijk van de vrijheid’ – de uitvindingen van recht, moraliteit, vrijheid en kunst. Ze ruilden de dwingende noodzaak van de Natuur in voor een proliferatie van culturen. ‘Mono-naturalisme’ aan de ene kant, ‘multi-culturalisme’ aan de andere. Deze tweedeling lijkt volkomen overhoopgegooid door de geohistorische gebeurtenis die ik probeer te omschrijven. Het vermogen tot uitvinding en verrassing is verschoven van mensen naar niet-mensen, zoals wordt onderstreept door een beruchte boutade van Frederick Jameson: ‘Tegenwoordig lijkt het haast makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme!’

Weet u nog hoeveel energie door de sociale wetenschappen is gespendeerd om de gevaren van biologisch reductionisme en naturalisering te bestrijden? Tegenwoordig valt het niet mee om te zeggen waar de meeste bewegingsvrijheid te winnen is, bij de natuur of bij de cultuur. Zoveel is zeker: gletsjers lijken sneller te krimpen, het ijs vlugger te smelten, soorten in hoger tempo te verdwijnen dan de plechtstatige tred waarmee de politiek, het bewustzijn en de gevoeligheid voortschrijden. Tegenwoordig zou het Shelley niet makkelijk vallen om te zingen:

The everlasting universe of things
Flows through the mind, and rolls its rapid waves,
Now dark – now glittering – now reflecting gloom –
Now lending splendour, where from secret springs
The source of human thought its tribute brings
Of waters – with a sound but half its own,
Such as a feeble brook will oft assume
In the wild woods, among the mountains lone,
Where waterfalls around it leap for ever,
Where woods and winds contend, and a vast river
Over its rocks ceaselessly bursts and raves.

‘Het eeuwigdurende universum der dingen’? Vergeet het maar! Wij geloven niet langer dat watervallen ‘voor altijd neerstorten’ en dat ‘een weidse rivier over zijn rotsen’ ‘onophoudelijk barst en raast’. Het chiastische mengsel van ‘neerslachtigheid’ en ‘schittering’ dat met het gevoel van het sublieme gepaard gaat, wordt weliswaar nog steeds gevoed, maar niet omdat we zien hoe arme mensen kortstondig tekeergaan op het podium van een eeuwige natuur – integendeel, tegen wil en dank zien we hoe hardnekkig-dove mensen onverstoorbaar, onbeweeglijk, op hun stoel blijven zitten terwijl het oude decor van hun oude intriges in een beangstigend hoog tempo aan het verdwijnen is. Subliem of tragisch, daar wil ik vanaf zijn, maar één ding is zeker: het is geen schouwspel meer waarvan we op afstand kunnen genieten. We maken er deel van uit.

Vreemd genoeg is het voortaan de vraag of mensen de geschiedenis weer zin kunnen geven, een zin die hun is afgenomen door wat ze tot nog toe hadden aangezien voor een simpel, van elk reactievermogen verstoken kader. De bifurcatie van de Natuur, die Whitehead zo nadrukkelijk heeft bekritiseerd, blijkt op de meest onverwachte manier op zijn kop te zijn gezet; gevoeligheid, activiteit, reactiviteit en onzekerheid moeten voortaan worden omschreven als ‘primaire kwaliteiten’, onverschilligheid, ongevoeligheid en lethargie als ‘secundaire kwaliteiten’. Zozeer zelfs dat Whiteheads beroemde citaat zou kunnen worden omgedraaid: ‘zodat de loop [van de menselijke geschiedenis] denkbaar is als de loutere wisselvalligheden van de materie tijdens haar avontuurlijke reis door de ruimte.’

U zou zich erover kunnen beklagen dat deze geohistorische visie blijk geeft van een buitensporig grote dosis antropomorfisme. Ik hoop het! Zij het niet in de oude betekenis van dat woord, als zou die visie ‘menselijke waarden projecteren op een inerte wereld van zwijgende objecten’, maar, integendeel, in de betekenis dat ze ‘vorm geeft aan mensen’, of, naar analogie van het Engels, dat ze mensen tot een realistischer beeld begint te morfen. Over de gevaren van het antropomorfisme konden we ons alleen beklagen in de tijd dat mensen op het toneel een rol speelden die helemaal losstond van het decor waarin ze rondparadeerden. Er is een herverdeling gaande van de rollen van alle voormalige personages van het stuk. Hoe zouden we de valstrikken van het antropomorfisme ook kunnen vermijden, als het waar is dat we nu leven in het tijdvak van het antropoceen!

  • Bruno Latour, Oog in oog met Gaia. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime’, vert. Rokus Hofstede & Katrien Vandenberghe, Octavo, 2017, p. 158-161