Henri Roorda, ‘Het vrolijke pessimisme’ (fragment)

Aan straatstenen denk ik niet vaak. Ik loop erop en denk aan andere dingen. Sinds een paar dagen echter geven straatstenen me stof tot nadenken.

Men is doende in mijn buurt nieuwe bestrating te leggen. Stevige vrachtwagens hebben her en der op het trottoir – want het wegdek mag niet worden geblokkeerd – straatstenen uitgestort. Ze vormen enorme hopen, waar de voetganger elk vijandig contact mee mijdt. Die straatstenen lopen in de tienduizenden. Binnenkort zullen er evenveel nodig zijn voor de andere stadsbuurten. En in alle steden van de wereld zijn er straten die om de zoveel tijd opnieuw moeten worden aangelegd.

Al die bestrating bestaat uit honderden miljoenen stenen die moesten worden gehouwen om ze een hoegenaamd kubieke vorm te geven, zodat ze daardoor gemakkelijker naast elkaar kunnen worden geplaatst. Want de moderne mens leeft niet bij brood alleen.

Dit laatste weten we maar al te goed. We weten dat hij boter op zijn brood smeert. We weten dat hij kleren draagt die ingewikkelder zijn dan het vijgenblad waar zijn overgrootvader genoegen mee nam. We weten dat hij in hoge huizen woont die aan inhalige huiseigenaars toebehoren. We weten ook dat hij dure schepen en treinen nodig heeft die hem van heel ver de spullen brengen die hij nodig heeft. Dit alles weten we. Maar we denken niet aan al het overige.

De moderne mens heeft veel straatstenen nodig, grote en kleine straatstenen. In het ondermaanse slijten alle wegen. Omdat alles slijt, is de mens gedoemd ononderbroken te werken. Is dat een reden om het leven af te keuren? Nee. We zouden niet kunnen leven in een wereld waar Joseph, de dichter, ‘onbruikbaar’ is. Oude spullen die versleten raken worden door nieuwe spullen vervangen. Laten we dus niet jammeren. De overvloed van onze straatstenen vind ik alleen verontrustend omdat die me doet denken aan alles wat mensen verbruiken. Trakteerden ze zich alleen op straatstenen, dan was er nog niets aan de hand. Maar ze willen hun leven steeds comfortabeler maken. Burggraaf d’Avenel heeft eens gezegd dat het overtollige van één tijdvak het noodzakelijke van het volgende tijdvak wordt. Vijftig jaar geleden konden we het heel goed stellen zonder bioscoop, maar de bioscoop beantwoordt aan een van de dwingendste behoeften van onze tijdgenoten. Er komt een tijd waarin er geen voetgangers meer zullen zijn. Vandaag al vertikt de bewuste proletariër het nog langer in huizen te leven die van een lift verstoken zijn. Wij kramen evenveel onzin uit als onze voorgangers, maar om die in de wereld te verspreiden beschikken we over dagbladen en draadloze telefonie.

Dat alles is duur. Om het hout te vinden dat bij de fabricage van papier wordt gebruikt, heeft men een groot deel van Noorwegen verwoest. Op 31 december, wanneer de mensheid haar begroting voor het nieuwe jaar opmaakt, begaat ze vast ernstige fouten. Duitsland zal betalen. De officiële deskundigen van de oorlogsschuld hebben het ons bewezen. Maar dat de mensheid zal kunnen betalen is veel onwaarschijnlijker. Ze leeft op te grote voet. Ze heeft trouwens gemerkt dat wie meer dan acht uur per dag werkt, moe wordt. De mensheid zal failliet gaan. Gelukkig is ze thuis, op aarde. Ze is haar eigen schuldeiser en er zal geen schandaal van komen. Het blijft in de familie, het heelal zal er niets van merken.

  • Henri Roorda, ‘Straatstenen’, Gazette de Lausanne, 8 mei 1924, in: Het vrolijke pessimisme, vert. Rokus Hofstede, Boom 2021
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.