Gacougnol, Pélopidas-Anacharsis

Frans kunstenaar (†1880). Behalve als schilder was hij actief als beeldhouwer, tekenaar, dichter, musicus en criticus. Hij illustreerde de fabels van La Fontaine op doek en in bas-reliëfs, en droeg satirische tekeningen bij aan verscheidene periodieken. Hij was de uitvinder van de Milesiaanse buste: het konterfeitsel van een illustere persoon in marmer of brons, afgebeeld van kruin tot navel maar zonder armen, hetgeen volgens hem het portret een hooghartig-koele uitstraling gaf. Ondanks zijn hooggestemde kunstenaarsidealen – ‘Ik behoor tot geen andere school dan de mijne. Mijn ambitie is om Pélopidas Gacougnol te zijn, en geen ander’ – beschouwde hij zichzelf als een ‘groot mislukt kunstenaar’.

> Lees verder

Gamelin, Évariste

Frans schilder, actief omstreeks 1789. Aanvankelijk schilderde hij, geheel volgens de toenmalige mode, hoofse scènes in de trant van Watteau en Fragonard, maar nadat hij gewonnen was geraakt voor het revolutionaire gedachtengoed verwierp hij die als uitwassen van monarchistische verdorvenheid. Star en rechtlijnig van aard, had hij hoe dan ook maar weinig talent voor erotische afbeeldingen. In navolging van zijn meester David, de leider van de nieuwe school, liet hij zich vervolgens inspireren door de Etrusken en de Romeinen en schilderde antieke allegorieën. Zijn Hercules die de Hydra van de Tirannie vermorzelt en zijn Tiran door de Furiën achtervolgd tot in het Schimmenrijk, zijn niet van grootsheid gespeend, evenmin als zijn Electra aan het Ziekbed van Orestes, wellicht Gamelins beste doek.

> Lees verder

Juréal (bijgenaamd: Signor)

Meester Juréal, beeldhouwer te Mechelen, actief in het begin van de 16de eeuw, tijdens de landvoogdij van Margaretha van Parma, de gulden tijd waarin Mechelen het ‘Firenze van het Noorden’ was, en een brandpunt van humanisme. Juréals werk behoort evenwel nog tot de middeleeuwen: zijn inspiratie was zuiver christelijk, hij werkte slechts in zandsteen en veronachtzaamde het marmer, het favoriete materiaal van de uit Italië en de Savoye overgekomen beeldhouwers, die dweepten met de klassieken. Juréal kon zich dan ook niet verheugen in de gunst van de landvoogdes, maar dankte zijn fortuin louter aan zijn werk voor kerkelijke opdrachtgevers. Vermaard om zijn heiligenbeelden en bas-reliëfs, was hij onder meer betrokken bij de bouw van de Sint-Romboutskerk.

> Lees verder

Jacques

Frans beeldhouwer (1819–1844). Tijdens de Julimonarchie maakte hij in Parijs deel uit van de Kring der Waterdrinkers, een genootschap van kunstenaars en bohémiens. Het genootschap was opgezet naar het voorbeeld van het Cenakel van de Vierwindenstraat, bekend uit Balzacs Illusions perdues. In tegenstelling tot de helden van Balzac, wisten de Waterdrinkers hun artistieke ambities niet te realiseren. Vandaag doen hun oeuvres bij niemand nog een belletje rinkelen.

Het tirannieke uitgangspunt van de Waterdrinkers was dat zij de hoge, ijle toppen van de kunst nimmer mochten verlaten, en dat zij, niettegenstaande hun materiële misère, geen enkele concessie mochten doen aan hun idealen.

> Lees verder

Lemoens, Bertrand

Belgisch beeldend kunstenaar, actief op het einde van de 20ste eeuw. In de kunstopvatting van Bertrand Lemoens was de wisselwerking tussen kunst en maatschappij een vertrekpunt. Zijn faam dankte hij onder meer aan een Gedenksteen voor Verdwenen Personen, waarmee hij tegemoet wilde komen aan de emotionele behoeften van nabestaanden. Dwarsligger no. 28, de installatie die hij halverwege de jaren ’90 realiseerde voor de vijfde editie van het Efemere museum, (in Trith-Saint-Léger, nabij Valenciennes), was bedoeld om protestacties tegen fabriekssluitingen te memoreren. Lemoens’ werk beantwoordde volledig aan het credo van Hubert Desmedt, curator en organisator van het Efemere museum, een groepstentoonstelling met bijdragen van vijftien vooraanstaande beeldhouwers uit Frankrijk, België, Luxemburg en Nederland, onder wie Claus, Frerick, Prinz, Luquoin, Schnitzler en de Deense kunstenaar met het pseudoniem E5/A1, bekend om zijn bonbonroze wegwijzers.

> Lees verder

Marcel

Frans schilder (1818–1869). Wordt gerekend tot de tweede bohème, de generatie proletarische kunstenaars die elkaar in de woelige jaren ’40 van de 19de eeuw vonden in tijdschriften als Le Corsaire-Satan. De bohème, waartoe in die jaren ook figuren als Courbet, Nadar en Baudelaire moeten worden gerekend, was fel gekant tegen het conformisme van de burgerlijke kunst en levensstijl. Wat de meeste bohémiens gemeen hadden was evenwel niet een duidelijk artistiek programma, maar hun jeugd en berooidheid. Ze sleten hun ongeregelde bestaan in een voortdurend va-et-vient tussen de mansarde en het café, de straat en het ziekenhuisbed, het redactielokaal en het bal.

> Lees verder