Pierre Bourdieu, De regels van de kunst (fragment)

‘De lyriek en het vulgaire’ willen ‘versmelten’ betekent het hoofd bieden aan de ondraaglijke en angstwekkende beproevingen van hen wier taak het is tegendelen met elkaar in botsing te brengen. De hele periode dat hij werkt aan Madame Bovary heeft Flaubert het onophoudelijk over zijn lijdensweg, die soms in regelrechte wanhoop verkeert. Hij vergelijkt zichzelf met een clown die een huzarenstukje aflevert en een ‘razende gymnastiek’ moet uitvoeren; hij verwijt de ‘smerige’, ‘vunzige’ materie hem het lyrische ‘brullen’ te beletten en hij wacht ongeduldig het moment af dat hij zich weer kan bezatten aan de schone stijl. Maar vooral zegt hij keer op keer dat hij eigenlijk niet weet wat hij doet, en ook niet wat het resultaat zal zijn van de tegennatuurlijke – in elk geval tegen zíjn natuur gerichte – inspanning die hij zichzelf oplegt.

> Lees verder

Pierre Bourdieu, ‘De goddeloze demontage van de fictie’

Wat de bewustwording van de logica van het spel betreft, en van de illusio die er het fundament van is, heb ik lang gedacht dat die in zekere zin per definitie uitgesloten was, omdat met een dergelijke luciditeit literaire of artistieke projecten zouden neerkomen op een vorm van cynische mystificatie of bewuste misleiding. Tot ik ertoe kwam een tekst van Mallarmé echt tot me te laten doordringen, waarin goed wordt uitgedrukt – zij het op tamelijk obscure wijze – dat de literatuur in objectieve zin een in het collectieve geloof gegronde fictie is, maar ook dat we het recht hebben om aan het literaire plezier vast te houden, tégen alle vormen van objectivering in.

> Lees verder

Pierre Bourdieu, ‘Literatuur en sociologie’

U ziet geen tegenstelling tussen literatuur en sociologie?

Er bestaat allicht een verschil, maar dat verschil moet niet worden opgeblazen tot zoiets als een onwrikbare tegenstelling. Het spreekt vanzelf dat sociologen niet met schrijvers mogen en kunnen wedijveren. Ze zouden het risico lopen ‘naïeve schrijvers’ te zijn, zoals je ook spreekt van ‘naïeve schilders’: schrijvers die onwetend zijn van de geaccumuleerde eisen en mogelijkheden die in de eigen logica van het literaire veld besloten liggen. Maar ze kunnen in literaire werken wel indicaties of oriëntaties voor onderzoek aantreffen die hun door de censuur van het wetenschappelijke veld worden ontzegd – vooral als ze onderworpen zijn gebleven aan de positivistische filosofie die vandaag de dag de sociale wetenschappen beheerst.

> Lees verder