Marguerite Duras, Nachtschip Night (fragment)

– Ik had je gezegd waar ze was, tussen twee zalen, de laatste van dat gigantische museum, vlak voor de zaal met de koperen paardenkarkassen die ze in 1960 hebben gevonden in de haven van Piraeus.
    Wat me zo in haar trof, geloof ik, was de wond in het gezicht. Die wond contrasteerde met de blik… die gaaf was, zie je… Ik weet het niet zo goed meer…

Ik heb heel lang naar haar staan kijken.

Heb je haar niet gevonden in het museum?

– Nee.

– Haar naam staat erbij.

– Athene.

– Ja, precies…

Haar linker gezichtshelft moet zijn weggerukt door een ploegschaar of zoiets, door ijzer, maar haar ogen zijn ongeschonden… witte amandelen zonder enig reliëf…

Bestaat er geen enkele reproductie van?… > Lees verder

Honoré de Balzac, Sarrasine (fragment)

[…] Plotseling begroette een daverend applaus de opkomst van de prima donna. Ze stapte koket naar voren tot aan de rand van het toneel en boog uiterst gracieus naar het publiek. De belichting, de massaal betuigde geestdrift, de illusie van het podium, de verblindende, voor die tijd tamelijk gewaagde japon, alles werkte in het voordeel van deze vrouw. Sarrasine slaakte kreten van genot. Voor zijn verrukte ogen stond de ideale schoonheid, waarvan hij de volmaaktheden tot dan toe links en rechts in de natuur had gezocht; aan een maar al te vaak afstotelijk model had hij de rondingen van een goedgevormd been ontleend, aan een ander de welving van de boezem, aan weer een ander de blanke schouders; van een meisje had hij de hals genomen, van die vrouw de handen en van dat kind de gladde knieën, maar nooit had hij onder de koude Parijse hemel de weelderige, lieflijke beelden van het oude Griekenland aangetroffen.… > Lees verder

Charles Baudelaire, Wenken voor jonge letterkundigen (fragment)

IV
OVER HET AFKRAKEN

Alleen dienaren van de dwaling mogen worden afgekraakt. Ben je sterk, dan graaf je je eigen graf als je de strijd aanbindt met iemand die sterk is; al zijn jullie het op bepaalde punten oneens, bij gelegenheid zal hij nog steeds jouw kant kiezen.

Er zijn twee manieren om iemand af te kraken: via de kromme lijn en via de rechte, die tevens de kortste weg is.

Van de kromme lijn zijn genoeg voorbeelden te vinden in de feuilletons van J. Janin. De kromme lijn is aardig voor de buitenwacht maar heeft geen educatieve waarde.

De rechte lijn wordt tegenwoordig met succes gebezigd door een paar Engelse journalisten, maar is in Parijs in onbruik geraakt.… > Lees verder

Verstandig is de man die zegt: ‘Ik ben begenadigd’

Charles Baudelaire (1821-1867) was een jonge letterkundige toen hij zijn Wenken voor jonge letterkundigen schreef. De tekst verscheen in L’Esprit public op 15 april 1846, een paar dagen nadat hij vijfentwintig was geworden. Enkele van zijn bekendste gedichten had hij op dat moment al geschreven – ‘L’Albatros’, ‘À une dame créole’, ‘Une Charogne’, ‘Le Crépuscule du matin’, ‘Le Vin de l’assassin’ en ‘Les Yeux de Berthe’ -, maar er was nog nauwelijks iets van gepubliceerd onder eigen naam. Les Fleurs du mal, de poëziebundel waarin, zoals wij tegenwoordig zeggen, de hele moderne West-Europese poëzie wordt aangekondigd, van symbolisme tot surrealisme, zou pas ruim tien jaar later verschijnen.… > Lees verder

Chatten op z’n achttiende-eeuws

Toen madame Du Deffand als klein meisje op de nonnenschool zat, predikte ze daar het ongeloof aan haar vriendinnetjes. De abdis liet bisschop Massillon komen, aan wie het meisje haar redenen uiteenzette. Na het gesprek zei Massillon: ‘Ze is alleraardigst.’ De abdis, die aan dit alles het grootste gewicht toekende, vroeg de bisschop welk boek het kind te lezen moest krijgen. Hij dacht even na en antwoordde toen: ‘Een catechismus van vijf stuivers.’ Meer kreeg men niet uit hem.

De anekdote is van Chamfort, de grote portrettist van de achttiende-eeuwse mondaine elite. Waarschijnlijk schuilt er wel een kern van waarheid in, want in december 1765 schrijft de dan negenenzestigjarige, inmiddels blinde markiezin Du Deffand, houdster van de belangrijkste Parijse salon, aan haar vriend Voltaire: ‘Ik herinner me dat toen ik klein was en op de nonnenschool zat, madame De Luynes pater Massillon op me af stuurde; mijn intelligentie sidderde voor de zijne: ik zwichtte niet voor de kracht van zijn redeneringen, maar voor de reputatie van de redenaar.’… > Lees verder

Du Deffand-Voltaire, Ook u, meneer Voltaire (fragment)

Parijs, 16 mei 1764

[…] Een andere passage in mijn brief die u verkeerd hebt begrepen, betreft mijn opmerking dat geboren zijn het grootste ongeluk van allemaal is. Ik ben overtuigd van die waarheid, die niet alleen geldt voor Judas, Job en mijzelf, maar ook voor u, ook voor madame De Pompadour zaliger, voor alles wat is geweest, voor alles wat is en voor alles wat zal zijn. Wie leeft zonder van het leven te houden verlangt daarom nog niet naar de dood, en is zelfs nauwelijks minder bang om het leven te verliezen. Mensen die gelukkig leven, hebben een dieptriest vooruitzicht: ze weten zeker dat er een eind aan komt.… > Lees verder