Charles-Ferdinand Ramuz, ‘De grote angst in de bergen’ (fragment)

[…] Er was géén brief. Er was tenminste geen andere dan de zijne, zijn eigen brief. Een brief die hij aan Victorine had geschreven en daar verschillende dagen op voorhand was komen leggen, goed zichtbaar onder in de schuilplaats, rechtop tegen een steen.

Zijn brief was er nog steeds. Ze waren gekomen; ze hadden zijn brief niet meegenomen. Wat ze hadden gebracht, was brood, zout, kaas, wat pekelvlees; dat alles verpakt in twee zakken, maar geen kaartje of stuk papier, geen los vel, geen dubbelgevouwen of zelfs maar enkel blad – wanneer op zulk ruitjespapier een hart zich legt en naar je wordt toegebracht.

Daarboven waren ze nog altijd niet van plaats veranderd; zo zien ze Joseph terugkomen; ze roepen hem, Joseph antwoordt niet.

Joseph loopt nog door tot voor de hut, zo goed als het gaat; daar zie je hoe hij het halstertouw over de nek van het muildier gooit en het muildier laat gaan waar het wil onder zijn last.

Joseph duikt weg in het schaduwgat van de deur.

Zij begrepen het niet; ze proberen het niet te begrijpen. Ze laten hun hoofd weer vooroverhangen, terwijl je nog steeds het muildier zag met zijn twee zakken op zijn rug. Ze volharden in hun onbeweeglijkheid, totdat de avond begint te komen; dan staan ze op. Tenminste de meester en de neef stonden op, vanwege de avond die kwam, en Barthélémy hoort ze naast zich overeind komen en dan sleepvoetend weglopen. Barthélémy staat op zijn beurt op. Hij ziet dat de meester voor de hut was aangekomen, daar blijft de meester staan. De meester blijft staan; hij steekt zijn hoofd door de deuropening en hij roept; hij roept een tweede keer, waarschijnlijk kwam er geen antwoord; de meester ging nog altijd niet naar binnen, alsof hij niet naar binnen durfde. Dan zie je hoe hij zijn neef bij zijn pols pakt en zijn neef naar zich toe trekt, en daarbij met zijn hoofd naar opzij knikt.

Die avond gaan ze om te slapen niet binnen in het onderkomen van de mensen, maar in het onderkomen van de beesten, nadat ze elkaar plotseling door die andere deur vooruit hadden geduwd alsof ze werden opgejaagd.

Barthélémy blijft alleen over, hij kijkt: niemand meer. Barthélémy ging toen op zoek naar het papier onder zijn hemd, waarna hij naar voren kwam, met zijn papier in zijn hand; hij kwam tot aan de deur van de hut; ook hij zei: ‘Joseph, ben je daar?’ Hij gaat naar binnen. ‘Joseph?’ Dan stapt hij tot op de drempel van de slaapkamer: ‘Joseph! Hé, Joseph…’

Veel licht was hier al niet meer, want het venster was klein, maar in het weinige licht dat er was kon hij toch nog Joseph onderscheiden, die plat op zijn buik lag. Die niet beweegt, die niet bewoog, die nog eens wordt geroepen en niet bewoog.

‘Toe, kom maar hier, naar mij,’ zei Barthélémy, ‘bij mij kan je niets gebeuren, ik heb het papier, dat weet je toch – en dan blijven we samen.’

Maar Joseph beweegt niet; het is niet eens duidelijk of hij je heeft gehoord of niet; geen woord zegt hij, geen teken geeft hij, geen geluid klinkt op uit het stro waarop hij languit lag met zijn gezicht tussen zijn armen.

En op datzelfde moment begint het roepen van een koe door te dringen, dan van nog een koe, en hun langgerekte geloei, dan het rammelen van een bel – vervolgens nog één keer Barthélémy: ‘Hé! Joseph!’, maar tevergeefs, waarna hij opnieuw naar buiten gaat.

Het was wat er over was van de kudde, de krappe helft van de kudde die over was – want die waren ze vergeten. Met de nacht die kwam, was er ook onrust gekomen over de beesten, die de hele dag niet waren gemolken. Ze kwamen aangelopen met hun gezwollen uiers en hieven hun snuit naar de hut; toen ze Barthélémy zagen, kwamen ze nog sneller dichterbij, sommige zetten het op een draf.

Het was warm. Er was een ster verschenen. De beesten kwamen eraan; ze staan om Barthélémy heen als een muur.

Het was warm. Die avond is er niet de weldadige koel te die je gewoonlijk op deze hoogten voelt, als nevel op je gezicht. Het was even warm als midden op de dag, met een stroperige, weeë lucht, een lucht die amechtig maakte.

Barthélémy voelt hoe het zweet over zijn voorhoofd en langs zijn nek loopt, zodra hij, neergehurkt onder een van de koeien, zijn handen laat gaan.

Ze waren nu onbeweeglijk, ze zwegen, ze hielden zich stil, maar ze bleven dicht tegen elkaar aangedrukt om Barthélémy heen staan – was het dan alleen de warmte? Er liep een druppel langs zijn neus, en andermaal liep er een druppel langs zijn neus, die tussen zijn knieën viel, en hij zei: ‘Toe maar, ouwetje, jouw beurt.’

Weer drukt hij de bovenkant van zijn hoofd tegen de volgende klamme flank, en: ‘Nu jij’; hij zegt: ‘Nu jij, Rooie…’ en almaar liep het zweet in zijn oren en ogen.

Zo gauw een koe was gemolken, liep ze weg. Zo liep de ene na de andere weg om zich ergens op de weide voor de nacht te slapen te leggen; niet meer dan twee of drie waren er nu nog over – en pas dan kan de volle omvang van ons ongeluk doordringen, omdat het terrein weer vrij is; ons ongeluk begint door te dringen, en onze schaamte, terwijl Barthélémy overeind kwam en zich nog maar eens het voorhoofd afwiste met zijn arm, zijn hand in de lucht met gespreide vingers uitschudde. En is het alleen warmte, of is het schaamte misschien? – Barthélémy bleef in het donker staan kijken naar die brede lichte plek op de grond, zo groot als een grote kamer: al die vergoten melk, die melk die nergens meer goed voor is, en voor niets gemolken.

Er was een ster opgekomen, twee sterren, drie sterren. Het wit van de melk was beter zichtbaar naarmate er meer sterren verschenen. […]

  • Charles-Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen, vert. Rokus Hofstede, Van Oorschot, 2019, p. 125-128
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.