Jean Echenoz, 14, fragment

Screenshot 2015-01-16 15.06.46Zo’n mug als daar, om dertien uur, zich voordoet in de normaal blauwe nazomerlucht boven het departement Marne.

Laten we dat insect eens tegemoet schieten: naarmate we dichterbij komen wordt het geleidelijk groter, om uiteindelijk te veranderen in een klein vliegtuig, een tweepersoonsdubbeldekker van het type Farman F37 met twee mannen aan boord, een piloot en een waarnemer, die achter elkaar in primitieve stoelen zitten, amper beschut door twee rudimentaire windschermen. Gegeseld door de wind van de vlucht, zonder te worden beschermd door een dichte cockpit zoals die er later zullen komen, lijken ze wel op een smal panoramisch terras te zitten van waar je het uitzicht over het prille conflict kunt bewonderen: colonnes van vrachtwagens en marcherende soldaten, exercitievelden en kampementen.

> Lees verder

Milan Kundera, Het feest der onbeduidendheid, fragment

Omslag_Kundera_OnbeduidendheidIn zijn eerste beroep, dat voor hem toen zijn hele leven uitmaakte, was Caliban acteur; dat beroep stond zwart-op-wit in zijn papieren en als acteur zonder contract ontving hij al heel lang een werkloosheidsuitkering. De laatste keer dat hij op de planken te zien was geweest, speelde hij de wilde Caliban in Shakespeares The Tempest. Ingesmeerd met een bruine crème, getooid met een zwarte pruik, sprong hij als een dolleman brullend op en neer. Zijn vrienden waren zo verrukt over zijn prestatie dat ze hadden besloten hem bij de naam te noemen die hen eraan herinnerde. Dat was al lang geleden.

> Lees verder

Jean Echenoz, Flitsen, fragment

Flitsen_omslagMaar ja, de duif.

De duif, saai, dom, ijdel, leeg, laf, vaag, vals, vuil, vuig. De miezerige duif en zijn stompzinnige stemgeluid, nimmer roerend, door en door affectloos. Zijn klapperende vlucht. Zijn doffe oogopslag. Zijn absurde gepik. Zijn hersenloze schedel met die intrieste knikbeweging. Zijn gênante besluiteloosheid, zijn stuitende seksualiteit. Zijn parasitaire roeping, zijn gebrek aan ambitie, zijn grandioze nutteloosheid.

Niet te vergelijken met de mus, die iets innemends heeft, met de merel, die zijn stem weet te gebruiken, met de raaf, die niet van klasse gespeend is, met de ekster, die stijl heeft, erger dan de aasgier, die tenminste een doel heeft in het leven, even sensueel als een rat, even hoogstaand als een horzel, minder elegant dan een worm, nog stommer dan de catoblepas.

> Lees verder

Milan Kundera, Over de romankunst, fragment

Een arme dorpsedelman, Alonso Quijano, besloot een dolende ridder te worden en noemde zich Don Quichot van La Mancha. Hoe moeten we zijn identiteit definiëren? Hij is wie hij niet is.

Hij ontfutselt een barbier diens koperen scheerkom, die hij voor een helm aanziet. Bij toeval komt de barbier later in de herberg waar Don Quichot zich in een gezelschap bevindt; hij ziet zijn scheerkom en wil hem terug. Maar Don Quichot is trots en weigert de helm als scheerkom te zien. Direct wordt een ogenschijnlijk zo eenvoudig voorwerp een vraag. Hoe kun je trouwens bewijzen dat een op een hoofd geplaatste scheerkom geen helm is?

> Lees verder

Hédi Kaddour, ‘Zonder einde’

Je begint met spinthout tussen zinsbouw en
Treurwilgen, maar woorden kennen de wereld
En hart is zo slecht nog niet; je hebt ook
De aalbessen en de boerderijmuur, die een draai
Kan geven aan de vlakte, de uren, een conflict,
Je hebt de buurman in de metro, het is werk
Zonder einde en nu en dan moet je toch
Afronden zoals deze lus vereist; je blijft
Alleen, zwaar aangewezen op wie lezen, klaar
Met dit moment en deze ruimte, je kunt het
Gedicht noemen, wat nog te zeggen valt verslindt
De andere bladzij al; je hebt de poëzie van anderen,
Die je graag leest en voordraagt, de wandelingen
Door stad of bos, het eerste ochtenduur
Tussen goud en gal, en eeuwig in strijd
Met stof en verhaal, een verlangen naar poëzie.

> Lees verder

Nora Gomringer, ‘Het hart’

Een artisjok
Mangogroot en blauwvlekgekleurd

Kan worden gepeld en blootgelegd
Laag voor laag

Wordt met verwondering bezien
Om zijn grootte

Zou Eden kunnen herbergen
Tussen de longen

Ging schuil achter de rib
Waaruit de appeleetster werd gesneden

Haast geen ophef meer
Over een ding – plantbaar, uitzaaibaar

Na jouw fatale val in mijn borstbed.

[‘Das Herz’, uit Klimaforschung (2008), vert. Martin de Haan. Verschenen als miniboekje voor de Literaturautomat Düsseldorf, 2012.]

> Lees verder